Twee pagina’s lachen

Tirade 417. Boekenweeknummer. Maart 2007. G. A. van Oorschot, € 12,50

Het boekenweeknummer van Tirade heeft een misleidende kaft. ‘HaHaHa’ staat erop, maar binenen valt slechts op twee pagina’s uitbundig te lachen. Daar staat een hilarisch door Karel van het Reve geschreven voorwoord van een reisbrochure, dat deel zal uitmaken van het in 2008 te verschijnen Verzameld Werk. In 1976 vroeg een reisbureau hem een reis naar Siberië te begeleiden, zo vertelt de inleidende tekst. Hoewel hij wist dat het regime in Moskou hem nooit een visum zou verlenen, ging hij toch op het verzoek in. Waarom zei hij ja? Hij moet een grap hebben geroken. Van het Reves gevoel voor humor staat buiten discussie, maar laat dit gezegd zijn: alleen de geniaalste grappenmakers plannen een grap zo lang van tevoren. Hij schreef uiteindelijk de tekst voor de brochure onder de titel ‘voorwoord door prof. dr. K. van het Reve’. Het is een schoolvoorbeeld van de satire. De openingszin druipt van de ironie: ‘De heer Karel van her Reve, oud 54 jaar, is een slechte reiziger.’ De reisleider in spe typeert zichzelf vervolgens als ‘een beetje een zenuwlijder,’ die een half uur voordat zijn trein vertrekt op het perron zit te wachten; die als hij een iemand aantreft op een voor hem gereserveerde stoel ‘onmiddelijk darmstoornissen’ krijgt omdat hij de onrechtmatige zitter niet van zijn plek durft te verjagen.

Deze uitbundige vorm van humor ontbreekt dus in de rest van het tijdschrift, waarin onder andere mooie, maar niet op de lach geschreven gedichten van Tonnus Oosterhoff en Arjen Duinker zijn opgenomen. Wim Raven en Frits van der Meij gaan op zoek naar humor waar het bijna niet te vinden is. Zij schreven een soort tweeluik ‘humor in de Islam’ en ‘humor in de Bijbel’. Na een analyse van overleveringen waarin vermeld wordt dat de profeet heeft gelachen (en hoe hard), concludeert de eerste: ‘Humor heeft in de Islam dus wel degelijk een kans.’ Het christendom komt er bekaaider vanaf: ‘Als God gevoel voor humor heeft, dan blijkt dat niet uit Zijn Woord.’

Esther Gerritsen schreef een loodzwaar verhaal over de schaamte van een vrouw die in het bejaardetehuis op bezoek gaat bij haar dementerende moeder. Alleen op het einde gloort een lichtpuntje, wanneer de vrouw een lachend groepje bejaarden om een tafel in de gang ziet zitten. Ze zou zo graag met ze mee willen lachen. Humor als een reddingsboei.

De mooiste bijdrage aan dit nummer heeft het minste van doen met humor. J. J. Voskuil maakte een keuze uit zijn dagboek over de jaren 1955-1956. Al lezend waant de lezer zich in de jaren vijftig. Eindeloos verveelt men zich, wordt er uit het raam gekeken. Dat lijkt misschien saai, maar het levert mooie melancholie op. Toegegeven, ook hier kunnen we grinniken. Om de Groningse boerenjongen die gevraagd wordt de weg te wijzen bijvoorbeeld: ‘Dat daar meneer, als meneer zo loopt, dan komt meneer er vanzelf, meneer.’