Tjallings verhaal

Wat vooraf ging: Tjalling was een tijdlang weg. Hij was achter een spiegel verdwenen. Maar nu heeft hij Katja teruggevonden, op het dak van een hoog gebouw.

Ik, Tjalling, ik ben sterk. Dat heb ik altijd al geweten, maar nu is het bewijs geleverd! Ik heb Katja van het dak van een flat naar beneden gedragen. En volgens mij was ze zelfs wat minder iel en dun dan eerst. Dat zal wel zijn gekomen door al dat snoep dat ik had meegenomen. En wat zij naar binnen had geschrokt, tijdens onze reis.

Maar IK ben afgevallen! Jazeker! Ik ben een taaie, keiharde atleet geworden! In een Spidermanpak.

„Wat draag jij voor rare kleren?” vroeg Katja. Ze hing in mijn armen. Ik klauterde langs richels omlaag. Ik deed erg mijn best om niet in de diepte te staren.

„Dit zijn geen rare kleren. Dit is mijn nieuwe kostuum.”

Katja giechelde. „Je verbaast me telkens weer, Tjalling. Hé! Kijk effe uit! Je slipte bijna!”

De gedachte ging door me heen dat Katja prima in staat was om zelf omlaag te klimmen. Ik bedoel, ze gaf voortdurend aanwijzingen. Iemand die dat kan, die kan ook klimmen. Maar, eerlijk is eerlijk, ik wílde haar dragen. Ik was hier de held, en de held hoort het meisje te redden.

„Hallo! Meer naar links! Dan kun je je daar laten zakken op dat afdakje.” Katja giechelde opnieuw. Volgens mij lachte ze me weer eens uit, maar het kon me niet schelen. Ik zette haar neer, op een paarse richel. Geen vensterbank, maar iets uitstekends, aan dat gebouw. De grond kwam al dichterbij.

Hijgend zaten we naast elkaar uit te kijken. In de verte lagen een soort van krijtrotsen. Ik kon dat weer zien, dat was erg prettig. Het was echt mazzel geweest dat Katja mijn bril had teruggevonden. Zij scheen trouwens zeker te weten dat we dáár naartoe moesten. Dat had ze in dat spiegelpaleis gezien.

„Hoeveel kamers hebben we nu gehad?” vroeg ik.

Katja telde hardop. „Barbieland. Dat was één. Die zee. Dat was twee. De woestijn met de badeenden. Dat was drie. Het spiegelpaleis. Dat was vier. En daarna ik in dit gebouw. Dat was vijf.”

„En ik in het oerwoud”, zei ik. „Dat is dus zes.”

„Je moet het me zo maar vertellen”, zei ze. „Als we weer op de grond staan. Maar we zijn volgens mij toe aan de laatste kamer. Die rotsen in de verte.”

„Ik hoop ’t”, zei ik. „Misschien dreef Sebastiaan wel ergens in die zee of zo.”

„Nee hoor!” riep Katja. „Ik heb hem gezien. In zo’n spiegel, waar jij je ouders zag. Je geit en je hemd.”

„Ha ha! Ik kan jou ook nu naar beneden duwen!”

„Tjalling. Je bent zo mannelijk geworden. In je kruippakje. Sorry. Nieuw kostuum. Hoe komt dat toch?”

„Beneden”, zei ik. En zuchtend hees ik dat grietje weer over mijn schouder, en langzaam, stapje voor stapje zocht ik mijn weg omlaag langs dat gebouw. In de film had het er zo makkelijk uitgezien. Ik vroeg me erg af hoe de echte Spiderman dat toch deed.

Wordt vervolgd