Spoeddebat niet weer inperken

‘Spoeddebat voortaan om de vijf jaar’ staat in de cartoon van Kamagurka op de voorpagina van NRC Handelsblad van 13 maart. Zover zal het niet komen, maar ik hoop wel dat de Kamer geen beperkingen zal stellen aan de mogelijkheid om een spoeddebat aan te vragen.

Toen ik in 2003 de dertigledenregel aan de Kamer voorstelde had ik hiervoor twee redenen. De belangrijkste reden was om een minderheid van dertig Kamerleden de gelegenheid te geven een spoeddebat aan te vragen. Tot dat moment was daarvoor een Kamermeerderheid nodig. In de praktijk betekende dat dat de coalitiefracties een voor hen politiek onwelgevallig debat altijd konden blokkeren.

Mijn mening was en is dat een minderheid – meestal bestaande uit een of meer oppositiepartijen – in staat moet zijn een debat aan te vragen en dat de coalitie dat niet moet kunnen tegenhouden. Uiteraard dient daarna een meerderheid van de Kamer te beslissen over de inhoudelijke uitkomst van het debat.

Dat deze regel voor de oppositie van belang is, toont de opstelling van de VVD in de afgelopen week aan. Als regeringspartij was die fractie tegenstander van de dertigledenregel, maar als oppositiepartij maakt ze er nu dankbaar gebruik van.

De tweede reden om de dertigledenregel voor te stellen was mijn wens om de Kamerdebatten te verlevendigen en om beter te kunnen inspelen op de actualiteit. In 2002 zei het toenmalige Kamerlid Sharon Dijksma dat politiek-maatschappelijke debatten overal in het land plaatsvonden, maar niet in de Tweede Kamer. Toen ik mij in 2002 kandidaat stelde voor het voorzitterschap van de Tweede Kamer, heb ik Dijksma met instemming geciteerd en gezegd dat het politieke debat terug moest naar de politieke arena en dat is de Tweede Kamer. Dat is in de afgelopen jaren ook gelukt.

Het hoofdartikel van deze krant van 14 maart beschouwt dit echter als een averechts effect. „De Kamer leek vaak op een klankkast van de nationale emotie”, wordt in dat artikel gezegd. Maar het is juist een goede zaak, wanneer de Kamerleden debatteren over kwesties die de mensen die zij vertegenwoordigen, emotioneel raken. Dat is de taak van volksvertegenwoordigers. Dat wil overigens niet zeggen dat de Kamer de opvattingen van de ‘mensen in het land’ klakkeloos zou moeten volgen. Politici hebben de taak opvattingen van hun kiezers te kennen en te vertolken, maar moeten uiteindelijk zelf hun standpunt bepalen en leidinggevend zijn bij de meningsvorming in het land.

Het is dus onnodig en onwenselijk om nadere beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om een spoeddebat aan te vragen. In een ambtelijke notitie zou worden voorgesteld dat Kamerleden moeten beargumenteren waarom een spoeddebat wordt aangevraagd. Dat is een open deur. Een Kamerlid moet uiteraard altijd duidelijk toelichten waarom het houden van een debat naar zijn of haar mening spoed heeft. Dat is altijd zo geweest. Tijdens mijn voorzitterschap leidde een dergelijke toelichting menigmaal tot de beslissing om een spoeddebat niet meteen te houden, maar om eerst nadere informatie aan de regering te vragen. Ook werd regelmatig beslist om een debat niet in de plenaire vergadering, maar in een |Kamercommissie te houden, waarna een korte plenaire afronding plaats vond.

Van misbruik van de dertigledenregel, zoals het hoofdartikel stelt, is in de afgelopen jaren nauwelijks sprake geweest. Dat de wensen van de oppositie de coalitie vaak minder goed uitkwamen, is iets anders. Dat was nou juist mijn argument om de regel voor te stellen. „Het is niet goed de rechten van de oppositie in te perken” is de laatste zin van het hoofdartikel. Daar ben ik het hartgrondig mee eens.

Frans W. Weisglas was voorzitter van de Tweede Kamer van mei 2002 tot december 2006.

Het hoofdartikel over het spoeddebat is na te lezen op www.nrc.nl/opinie