Spaar mij uw vriendschap

J.J. Voskuil: Onder andere. Portretten en herinneringen. Van Oorschot, 430 blz. € 27,50

Eerst een waarschuwing vooraf: de ‘nieuwe Voskuil’ is niet geschikt voor beginners. Wie zijn romans Bij nader inzien en Het Bureau over Maarten Koning ongelezen heeft gelaten zal aan de verzameling portretten en herinneringen die zijn samengebracht in de bundel Onder andere geen touw kunnen vastknopen. In de nogal willekeurig achter elkaar geplaatste – en voor een deel al eerder gepubliceerde – teksten figureren hij en zijn vrouw Lousje onder hun eigen namen, terwijl de vrienden met wie zij hun onnavolgbare gesprekken voeren genoemd zijn naar de personages uit Bij nader inzien. Ook als het Meertensinstituut, waaraan Voskuil zijn romancyclus Het Bureau wijdde, ter sprake komt krijgen de collega’s daar hun romannamen.

Buitengewoon verwarrend allemaal voor wie niet weet wie Henriette Fagel is of meneer Beerta, maar voor liefhebbers van Voskuils oeuvre is deze bundeling herinneringen een must, ook al staan er tussen de schitterende observaties nogal slome verslagen van fiets- en wandeltochtjes waar je een moedeloos gevoel aan overhoudt. ‘Mieters’ is nog steeds de hoogste kwalificatie voor een geslaagde dag, maar er zijn maar weinig van de beschreven uitjes die dat woord verdienen.

Hoogtepunten in Onder andere zijn de hoofdstukken over Voskuils Haagse jeugd, zijn eerder in Tirade gepubliceerde portret van uitgever Geert van Oorschot en het verhaal over de bevriende boekhandelaar Steven Buis, wiens ware identiteit niet wordt onthuld. Deze stukken vullen een aantal witte plekken op in het leven van J.J. Voskuil alias Maarten Koning, dat we tot in detail denken te kennen, maar waarvan we nauwelijks iets weten.

Wat weet Voskuil eigenlijk over zichzelf? Dat hij verlegen is, gereserveerd en een neurotische persoonlijkheid heeft, die hij eindeloos op de snijtafel legt en genadeloos probeert te analyseren. Intussen houdt hij iedereen op stevige afstand en al te persoonlijk wordt zijn introspectie nooit. Seksualiteit bijvoorbeeld is onbespreekbaar, zeker als het over hemzelf gaat.

Uit ‘Een socialistische jeugd’ waar de bundel mee opent blijkt dat zijn opvoeding een niet geringe rol heeft gespeeld bij die geremdheid. Zo had zijn vader een hekel aan volksdansen, omdat hij daar te puriteins voor was. Op een redactievergadering van de Vooruit, het Haagse dagblad waarvan Voskuils vader Klaas voor de oorlog redactiechef was, schijnt hij ballet ooit als ‘homosexueel gehuppel’ te hebben betiteld. De zoon gelooft dat onmiddellijk, maar voegt er aan toe dat thuis zoiets nooit over zijn lippen zou zijn gekomen. ‘Bij ons thuis werden woorden als sexualiteit en homosexualiteit niet in de mond genomen. Ik schrik altijd nog even als ze onverhoeds in een gesprek vallen.’

Hoe hij dan de gesprekken met de gereformeerde, seksueel gefrustreerde boekhandelaar Steven Buis heeft doorstaan is een raadsel, want die sprak over weinig anders. Ondergoed vindt hij ‘vies’. Als hij zijn eigen vrouw ‘in haar broek zag staan’ boezemde hem dat een hevige afkeer in. Voskuil heeft duidelijk moeite Stevens verhalen na te vertellen, wat een onbedoeld komisch effect sorteert. ‘Als hij (Steven) tot een vrouw inging, moest hij geestelijk contact hebben anders ging het niet. Flap (een andere vriend) vond dat vreemd, verdomd vreemd.’ Typerend is dat Voskuil zelf zijn mening over het hoe en waarom van ‘het ingaan tot een vrouw’ niet geeft.

Zoals in al zijn werk draait het in Onder andere over vriendschap. Vriendschap betekent voor Voskuil solidariteit, eerlijkheid, vertrouwen. Aan veel vriendschappen in zijn leven is een einde gekomen omdat anderen de eisen die hij aan vriendschap stelt schonden. De vriendschap met Steven Buis liep stuk in 1962, toen hij hem na het afronden van Bij nader inzien samen met Lousje opzocht. ‘De ontvangst was niet hartelijk. We konden alleen mee-eten als we het zelf betaalden.’ Ik kan mij voorstellen dat zoiets voor vrijwel iedereen een reden is een vriendschap te beëindigen, behalve dan voor Voskuil. Elders in het boek bekent hij dat als hij iemand een fles wijn had gegeven, de lege fles mee terugnam. ‘Voor het statiegeld’.

Logisch dat Voskuil zich geen raad wist met de zwierige hartelijkheid die hij en zijn vrouw ondervonden van uitgever Geert van Oorschot, die zijn debuutroman Bij nader inzien uitgaf. Het portret dat hij van Van Oorschot schetst is meesterlijk, maar geeft tegelijkertijd een scherp beeld van Voskuils eigen falen op het gebied van vriendschap. Aan zijn relatie met de legendarische uitgever kwam een einde toen die ongezouten kritiek leverde op zijn tweede roman Binnen de huid, een boek dat nog altijd niet is uitgegeven, wellicht omdat de auteur het achteraf met Van Oorschots negatieve oordeel eens was.

Misschien is Voskuil alleen in staat tot vriendschap met labiele figuren boven wie hij zich verheven kan voelen, zoals Frans Veen en de in dit boek voor het eerst opgevoerde broer van Frida Vogels (Henriette Fagel in Voskuils romans), aan wie het verhaal ‘Kees’ is gewijd. Het moet verschrikkelijk zijn te behoren tot de ‘vrienden’ van Voskuil. Hij portretteert de arme drommels in al hun gekte en geeft zonder scrupules hun intiemste confidenties prijs. Maar wat je daar ook voor moreel oordeel over kunt hebben, het levert keer op keer en ook in deze bundel weer grandioze literatuur op.