Paraplu’s tegen rotte eieren in Boedapest

Politici worden bekogeld met eieren, de president geeft niet thuis en joden wordt aangeraden binnen te blijven. Polarisatie en onverdraagzaamheid tekenden de Hongaarse nationale feestdag.

BOEDAPEST, 16 MAART. - „Deze feestdag kán helaas niet goed aflopen,” zegt Zombor Szabó. De 30-jarige ondernemer is met zijn vriendin naar de Erzsébet-brug gekomen, voor een massale protestmanifestatie van de Hongaarse conservatieve oppositiepartij. Er worden leuzen gescandeerd tegen de socialistische premier Ferenc Gyurcsány. „Verrader!” „Aftreden!”

Volgens Szabó is het alleen nog maar de vraag, waar en hoe laat de eerste rellen uitbreken. „Ik ben van de generatie die zich vanzelfsprekend Europeaan voelt. Wat mijn ouders niet konden kan ik wel. Ik heb een jaar in Parijs gestudeerd. Ik zet nu een bedrijf op. Het probleem is alleen dat we nu toch weer gebukt gaan onder een dictatuur, ditmaal die van een premier die al zijn gezag heeft verloren.”

Een half jaar na het begin van de jongste politieke crisis in Hongarije, in september vorig jaar, is de onrust op straat weer terug. Aanleiding destijds was het uitlekken van een toespraak van Gyurcsány achter gesloten deuren, waarin hij toegaf al jaren te hebben gelogen over de economische situatie van zijn land. Tegelijk kondigde de premier een pakket pijnlijke hervormingsmaatregelen aan die op felle weerstand stuiten. Het werd de opmaat naar straatprotesten die aan het begin van de winter uitmondden in een ware veldslag in Boedapest.

Tijdens de nationale 15 maart-feestdag, waarop de Hongaren de opstand van 1848 tegen de Habsburgse keizer herdenken, blijkt hoe groot de publieke verontwaardiging nog altijd is.

Als Gyurcsány ’s ochtends voor het parlement de vlag hijst wordt hij door demonstranten uitgefloten. President Lázsló Sólyom, die officieel deze ceremonie voor zijn rekening had moeten nemen, heeft zich afgemeld en is op bezoek bij de Hongaarse minderheden in buurland Roemenië. Het illustreert de politieke crisis: Sólyom heeft zijn vertrouwen in de premier opgezegd.

Over straat gaan vaders met kinderwagens, studenten en ouderen. Een opa begeleidt zijn kleinzoon, een ventje van amper vijf, uitdagend uitgerust in vechttenue, zwaaiend met de Hongaarse vlag. „We staan hier ons eigen nationale feestje te bederven”, zegt een man. „Maar wat rest ons? De regering heeft zich verschanst achter hoge hekken rond het parlement. Ze luistert niet.”

Als de burgemeester van Boedapest Gábor Demszky ’s middags spreekt wordt hij bekogeld met eieren. Zijn toespraak is gericht tegen de „groeiende onverdraagzaamheid”.

Daags ervoor heeft de voorzitter van de joodse gemeenschap in Boedapest zijn leden opgeroepen binnen te blijven „vanwege radicale jongeren die de straten onveilig maken”. De extreemrechtse splinterpartij Miép heeft een manifestatie georganiseerd rond Holocaust-ontkenner David Irving die in Boedapest zijn nieuwste boek presenteert. Maar als Demszky daarover zijn afkeur uitspreekt wordt hij door gejoel overstemd.

Om vier uur begint de manifestatie van oppositieleider Viktor Orbán, waar 100.000 demonstranten op afkomen. Maar ook Orbán heeft het heilige vuur niet meer. Zijn aanklacht tegen de regering oogst mager applaus, waarna de demonstranten hun spandoeken oprollen en huiswaarts gaan.

En dan komen de eerste sms’jes bij de journalisten binnen. Het wordt toch weer vechten. Aanleiding is de arrestatie, eerder op de dag, van een radicale activist. Rond het politiebureau waar de jongen in een cel zit staat een half uur later een leger oproerpolitie oog in oog met zo’n duizend relschoppers. Als de eerste traangasgranaten door de lucht vliegen maakt een groep jongens zich uit de voeten. Eén van hen blijft op een hoek staan en kijkt vol verbijstering voor zich uit. „Dit is geen EU-lidstaat, het is hier fucking Balkan,” zegt hij, waarna hij achter zijn vrienden aan het café induikt.