Ongezonde markt

De Nederlandse filmindustrie leunt zwaar op de staat. Filmproducenten zijn hier geen echte ondernemers. Ze nemen nauwelijks risico en delen nauwelijks in de winst. Dat moet anders worden.

De muren in het Amsterdamse kantoor van filmproducent BosBros zijn bespikkeld met alle prijzen die ze kregen. Een Gouden Kalf voor Minoes, andere beeldjes voor Het paard van Sinterklaas en Het zakmes, ingelijste oorkonden en opgeblazen cheques ter waarde van tienduizenden euro’s. Dit is waar producenten graag mee pronken: de tastbare resultaten van hun succes.

BosBros is een van de grotere bedrijven in de Nederlandse filmsector. Het verheugt zich in structurele samenwerking met de omroep AVRO en distributiebedrijf Warner Bros en wordt door beleidsmakers graag aangehaald als voorbeeld van professionaliteit, betrouwbaarheid en continuïteit.

BosBros heeft vorig jaar nul films gemaakt.

Bij de ene productie keurde de schrijver van het te verfilmen boek het scenario af. Bij de andere kwam de financiering niet rond. Voor elke niet-geproduceerde film is een goede reden. Maar toch: nul films. Dat had BosBros niet nóg een jaar kunnen volhouden. Deze week zijn de opnames voor Waar is het paard van Sinterklaas?, het vervolg op Het paard van Sinterklaas, begonnen. „Iedereen veert ervan op”, zegt directeur Michiel de Rooij, terwijl hij een thermoskan zelf gezette thee op tafel zet.

Hij legt uit hoe wankel de economische basis van de Nederlandse speelfilmindustrie is – als je die al zo mag noemen – én dat volgens hem de nabije toekomst er rooskleuriger uitziet. Indien de Europese Commissie het toestaat, kan de Nederlandse overheid over enkele maanden een nieuwe financieringssystematiek invoeren waarbij de economische potentie van de film een grotere rol moet spelen (zie: Suppletieregeling).

Dat werpt de vraag op: hééft de Nederlandse speelfilm wel serieuze economische potentie? En zo ja, wie plukt daar dan de vruchten van?

In 2005, het meest recente jaar waarvan de cijfers door het Filmfonds goed op een rij zijn gezet, kwamen 28 Nederlandse speelfilms in de bioscoop. Om te kijken waar het geld bij deze films vandaan kwam, moeten we terugvallen op de films die door het Filmfonds zijn gesubsidieerd, hetgeen bijvoorbeeld niet geldt voor de succesvolle Kameleon 2, maar wel voor de meeste grote producties: achttien films volgens de cijfers van het Fonds. Het gezamenlijk productiebudget van die films was ruim 28 miljoen euro.

Gemiddeld is driekwart van dat bedrag opgebracht door een of andere overheidsinstelling, waarbij we de omroepen meerekenen die met publiek geld films financieren. Uit de cijfers van het Filmfonds blijkt dat een film als Het paard van Sinterklaas, opgezet als een familiefilm met een productiebudget van 1,7 miljoen euro, voor ruim 70 procent is gefinancierd met overheidsgeld – en dan worden de omroepgelden nog niets eens meegeteld.

De opbrengsten van Nederlandse films uit bioscoopbezoek in 2005 die tegenover de productie-uitgaven staan, zijn zo’n 16,7 miljoen euro – bij lange na niet genoeg om de kosten te dekken. Daar komen wel de inkomsten uit dvd-verkoop bij, een snel groter geworden aandeel in het geheel van de filmopbrengsten. Media-econoom en bioscoopexploitant Joachim Wolff schat dat de producent bij een zeer succesvolle film ongeveer tweemaal zoveel verdient met dvd’s als met bioscoopkaartjes. Distributeur Rachel van Bommel van Independent Film zegt erbij dat de dvd-prijs zo sterk onder druk staat dat het aandeel zal dalen.

Maar het zijn allemaal gemiddelden. Als je bedenkt dat Het paard van Sinterklaas in de bioscoop bijna 2,2 miljoen euro heeft opgebracht, wordt duidelijk hoe enorm de verschillen moeten zijn. Er zijn dus ook films die nauwelijks een fractie van hun kosten terugverdienen in de bioscoop en dat geldt dus ook voor de betrokken producenten. De genoemde achttien films zijn door veertien verschillende producenten gemaakt. Dat onderstreept de conclusie van producent De Rooij, maar ook van exploitant Wolff: de Nederlandse speelfilm is geen gezonde markt. Distributeur Van Bommel wil het nog wel nuanceren: „Het is een gezonde markt in aanwas.”

Grotere bedrijven als BosBros hebben gezien dat ze met de onzekere inkomsten van filmproductie op een kleine markt als Nederland niet kunnen overleven. „Als wij dezelfde films als een Duits bedrijf zouden maken, waren we binnen”, zegt De Rooij. BosBros is vanaf het jaar 2000 volop voor televisie aan het produceren om de continuïteit te waarborgen.

De Rooij en Wolff wijzen verschillende oorzaken aan voor de wankele positie. De Rooij wijst op de ondergeschikte positie van de producent in het opbrengstenschema (zie schema). De bulk van het geld gaat naar de bioscoopeigenaar, een flink bedrag gaat naar de distributeur en van wat overblijft, moet de producent de subsidiefondsen, omroepen en andere investeerders terugbetalen. Bij een doorsnee film blijft voor de producent misschien 7 procent over, zegt De Rooij, en daarvan betaalt hij ook nog de royalty’s aan regisseur en scenarist. Om zijn kantoor en personeel te betalen neemt de producent zichzelf op in de productiekosten, met een fee van 10 procent van het totale budget. „Dus of je nu heel erg je best doet om van een film een commercieel succes te maken of niet”, zegt De Rooij, „je verdient altijd die 10 procent maar zelden meer.”

Daarom is De Rooijs hoop gevestigd op de suppletieregeling. „Voor die 35 procent sta ik hoger in het terugverdienschema en kan ik zelf winst gaan maken. En die kan ik weer gebruiken voor volgende projecten.”

Wolff moet nog zien dat producenten daaraan genoeg hebben om ineens ondernemers te worden. „Van de drie sectoren in de filmbranche – exploitant, distributeur en producent – zijn alleen de eerste twee echte ondernemers.” Volgens Wolff zou het gezond zijn als het aantal filmproducenten eens terugliep. Hij vergelijkt het met de Amerikaanse filmindustrie – die wél zo mag heten. Van elke tien films daar zijn er twee succesvol, komen er nog eens twee uit de kosten en flopt de rest. „Met zulke verhoudingen”, zegt Wolff, „volstaat het niet om films te financieren. Je moet filmbedrijven financieren.” De Rooij: „Je moet producenten een reële kans geven zichzelf met hun eigen succes te financieren.”