Nieuw orgaan voor herziening strafzaken overbodig

De Hoge Raad kan een strafzaak alleen herzien bij een nieuw feit. Dat criterium is wellicht te beperkt. Maar geen reden voor een nieuw orgaan, schrijft Harm Brouwer.

Het gras aan de overkant van het Kanaal is buitengewoon groen en sappig. Dat vinden in ieder geval de rechtspsychologen Crombag, Israëls, Van Koppen en Wagenaar. In de krant van 13 maart pleiten zij voor de oprichting van een apart bestuursorgaan dat afgedane strafzaken opnieuw kan beoordelen. Daarbij schrijven de vier wetenschappers geïnspireerd te zijn door het voorbeeld van de Engelse Criminal Cases Review Commission (CCRC).

Die Engelse commissie is er ooit gekomen nadat gebleken was dat de politie processen-verbaal had gemanipuleerd en getuigen en verdachten zwaar onder druk had gezet om strafzaken rond te krijgen. Het Engelse strafproces bleek niet geschikt om dergelijke misstanden in het vooronderzoek achteraf te corrigeren. Nu kende het Engelse recht ook de ‘herziening’, maar de aanwending daarvan was opgedragen aan een politieke ambtsdrager, de minister van Binnenlandse Zaken. Dat bood onvoldoende waarborgen voor een onpartijdige heroverweging. Het gevolg was een reeks van ernstige justitiële dwalingen waaronder de beruchte ‘Guildford Four’ en de ‘Birmingham Six’. Tegen deze achtergrond bezien is het begrijpelijk dat de Engelsen ervoor hebben gekozen om de oplossing te zoeken in de CCRC, een orgaan dat onafhankelijk van de politie en de rechtsprekende macht strafzaken opnieuw beoordeelt.

Maar is deze logica ook op de Nederlandse situatie van toepassing? De vier auteurs richten hun pijlen op de Nederlandse procedure voor de herziening van strafzaken. Zij stellen dat het criterium om een afgedane strafzaak opnieuw door de Hoge Raad te laten beoordelen, te beperkt is. Thans is herziening alleen mogelijk wanneer sprake is van een nieuw feit, dat niet bekend was ten tijde van de eerdere behandeling van de strafzaak en dat waarschijnlijk tot een ander oordeel had kunnen leiden.

Tot zo ver ben ik het met de vier rechtspsychologen eens. Wij leven in een tijdperk waarin de wetenschappelijke ontwikkelingen razendsnel gaan. Dat heeft ook gevolgen voor het door deskundigen geleverde bewijs in strafzaken. Nieuwe technieken en inzichten kunnen maken dat de stelligheden van het verleden ter discussie komen te staan. Het is te verdedigen dat het criterium voor de ontvankelijkheid van herzieningsverzoeken wordt verruimd, opdat de Hoge Raad ook kennis kan nemen van die afgedane zaken die door voortgeschreden wetenschappelijk inzicht in een ander daglicht zijn komen te staan.

De vier rechtspsychologen gaan echter veel verder dan dat. Zij vinden dat de herzieningsprocedure überhaupt niet bij de Hoge Raad thuishoort. In hun visie gaat het bij de herzieningsprocedure in belangrijke mate om de beoordeling van het functioneren van rechters. De huidige regeling zou het effect hebben dat de rechtspraak te zeer in bescherming wordt genomen. Om dat te verhelpen zou er een ‘onafhankelijk bestuursorgaan’ moeten komen, ‘dat kan bogen op groot maatschappelijk gezag.’

Maar volgens mij gaat het bij de herziening om het oordeel of sprake is geweest van een uitspraak die niet overeind kan blijven, ongeacht of dat aan de rechters is toe te rekenen. En rechters zijn wel degelijk prima in staat om met een kritische blik de vonnissen van hun collega’s te beoordelen. Dat zien we dag in dag uit bij de rechtspraak in hoger beroep en in cassatie.

Ook stellen de auteurs dat het OM geneigd zou zijn om eigen fouten weg te poetsen. Als enig bewijs voor die stelling wordt het sepot genoemd in de strafzaken tegen de officier van justitie en de advocaat-generaal die de zaak van de Schiedammer parkmoord hebben behandeld. Verbluffend dat wetenschappers zo makkelijk een conclusie durven te trekken over een moeilijke juridische afweging die ze alleen van de buitenkant kennen. Bovendien gaan de vier (gemakshalve?) geheel voorbij aan het feit dat het OM door zelf de Commissie Posthumus en de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken in het leven te roepen, nadrukkelijk heeft aangetoond wel degelijk bereid te zijn publiekelijk de hand in eigen boezem te steken.

Evenmin vermelden de vier de schaduwzijden van een geheel onafhankelijk orgaan. De CCRC heeft bijvoorbeeld geen eigen strafvorderlijke onderzoeksbevoegdheden en is dus sterk afhankelijk van de welwillendheid van de politie bij haar onderzoeken. Dat de CCRC in Engeland behoorlijk functioneert is dan ook in belangrijke mate toe te schrijven aan veranderingen die de afgelopen decennia hebben plaatsgevonden binnen de Britse politie en rechtspraak. Overigens is het ook bij het traject via de CCRC nog altijd de rechter die het laatste woord heeft in de herzieningsprocedure. Ervan uitgaande dat Crombag c.s. ook dit element van de Engelse constructie willen overnemen, is hun vertrouwen in de rechtspraak en het openbaar ministerie blijkbaar groter dan ze doen voorkomen.

Wie anno 2007 pleit voor de oprichting van een nieuw overheidsorgaan, moet met ijzersterke argumenten komen. Het is zeer betreurenswaardig dat in de Puttense en de Schiedamse zaak sprake is geweest van dwalingen. Daarnaast is er een aantal afgedane strafzaken waarover momenteel veel publicitair rumoer is, maar waarin tot nader order het veroordelend vonnis overeind staat. Maar we moeten elkaar ook niet gek willen maken. Niet voor niets concludeerde de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, onlangs: „Het aantal zaken dat vragen oproept staat niet in verhouding tot de maatschappelijke onrust over mogelijk onterechte veroordelingen”. In ieder geval is in Nederland absoluut geen sprake van wantoestanden zoals die in Engeland aanleiding hebben gegeven om de CCRC in het leven te roepen.

Het is een typisch Nederlandse gewoonte om het gras van de buren groener te vinden. Net zo Nederlands is het om elk probleem op te willen lossen door een nieuwe overheidsorganisatie op te tuigen. Als het probleem is dat de criteria voor de herzieningsprocedure bij de Hoge Raad te strikt zijn, laten we dáár dan iets aan veranderen.

Harm Brouwer is voorzitter van het College van procureurs-generaal.