Niet elke ouder is een digibeet

Tieners zijn ware tovenaars op de computer, is het beeld.

Maar niet elke tiener is een whizzkid en met name vaders zijn handig met de installatie van Windows.

Misverstanden over de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders zijn talrijk. De digitale kloof tussen ouders en kinderen is echter minder groot dan gedacht. Dat blijkt uit het onderzoek Nieuwe links in het gezin van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat vanochtend werd gepresenteerd.

Onderzoekers Marion Duimel en Jos de Haan brachten het ICT-gebruik in kaart van 13- tot 18-jarigen. Ook spraken zij met ouders. De onderzoekers bekeken in hoeverre zij op de hoogte zijn van het computergebruik van hun kinderen. Ruim 1.500 tieners en 1.080 ouders werkten mee.

Duimel en De Haan pleiten voor meer voorlichting over het gebruik en de gevaren van internet. Dat voorkomt misverstanden en ruzie in gezinnen. Duimel weerlegt vijf misverstanden over de digitale leefwereld van tieners en hun ouders.

1 Er is een digitale kloof in Nederland.

Juist en onjuist, zegt Duimel. „Eind jaren negentig ging de discussie over het bezit van computers. Toen was er een kloof tussen mensen met en zonder pc. De gedachte was toen dat als iedereen een computer zou hebben, dan de kloof gedicht zou zijn. Maar zo werkt het niet. In vrijwel ieder gezin is nu een pc, maar de verschillen in vaardigheden en gebruik blijven bestaan.” Als er al een kloof is in gezinnen, dan is die er tussen moeders en de rest van het gezin. „Meer dan de helft van de moeders zegt van zichzelf dat zij niet goed met de pc kan omgaan.”

2 Tieners weten veel meer van computers dan hun ouders.

Jongeren van nu zijn opgegroeid met ICT. De gemiddelde leeftijd waarop kinderen de computer voor het eerst gebruiken is 7,8 jaar. In 2001 was dat nog 8,1 jaar. „Een verschil met veel volwassenen is dat jongeren gewend zijn dat knoppen meerdere functies kunnen hebben en ook bewegen ze zich makkelijk door een menustructuur”, zegt Duimel. Dat geldt in Windows, maar ook bij mobieltjes.” Jongeren zijn vooral handig met alledaagse handelingen op de computer. Vaders zijn over het algemeen beter in moeilijker dingen, zoals het installeren van Windows. Verder schort het de tieners aan het vermogen informatie op het web te beoordelen.

3 Kinderen consumeren veel meer online media dan hun ouders.

Jongeren staan weliswaar bekend als grootverbruikers van internet, maar anders dan de rest van de bevolking zijn jongeren vooral gericht op communicatie en entertainment, zo staat in het rapport. Oudere gebruikers zijn meer gericht op zaken als financiën en e-mail. Duimel: „Vwo’ers maken meer functioneel gebruik van de pc. Zij investeren meer in hun toekomst dan vmbo-leerlingen. Die zijn meer gericht op entertainment en games.”

4 Ouders hebben geen idee wat hun kinderen online doen.

Dat valt reuze mee, zegt Duimel. Ouders zijn redelijk op de hoogte van de internetactiviteiten van hun kinderen. Sommige ouders controleren de surfgeschiedenis van hun tieners. „Maar”, zegt Duimel, „ouders onderschatten bij vrijwel alle activiteiten de tijd die hun kinderen doorbrengen achter de pc. Alleen huiswerk wordt overschat.” De meeste ouders praten zelden tot nooit met hun kinderen over wat zij online doen.

5 Met je kinderen praten over hun gedrag op het web heeft geen zin.

Te weinig kennis van internetactiviteiten van het kind kan leiden tot verwijdering tussen de ouders en de tiener, schrijven de onderzoekers. „Het argument om niet met je kind te praten omdat hij of zij toch meer van computers weet, gaat niet op”, zegt Duimel. „De normen en waarden die ouders hun kinderen willen bijbrengen zijn universeel. Wat offline geldt, geldt ook online.”

Op nrc.nl/nieuwelinks: tekst van het rapport, relevante sites en een discussie: weet u wat uw kind online doet?