Nationale lachlust

Het motto van deze Boekenweek is Lof der zotheid; scherts, satire en ironie. Het staat me bij dat we al eens een Boekenbal met een motto van die strekking hebben gehad, of misschien was het een andere Week of Dag ter ere van de humor. Of ik vergis me of ik ben in verwarring geraakt omdat we in Nederland goed beschouwd al sinds Annodazumal een aaneenschakeling van ‘Jaren van de humor’ hebben. Niet officieel, maar praktisch. Bijna iedereen, overal ter wereld, wil wel eens lachen of een ander aan het lachen maken. Maar ik geloof dat geen volk zo aan de lach verknocht is, althans aan een speciale soort van lach als de Nederlandse. Dit afgezien van het feit dat ieder volk zijn eigen humor heeft.

Een van de beste beschrijvingen die ik me van onze nationale sfeer van humor herinner is van Menno ter Braak, in een van zijn journalistieke stukjes, getiteld Berner Oberland. Hij brengt daar zoals veel Nederlanders een paar weken van zijn zomervakantie door en dan valt hem de nationale lachlust op. Die komt vooral tot uitdrukking bij het schrijven van ansichten naar huis. Ik citeer uit mijn hoofd. Vaak wordt de tekst geschreven door kleine groepjes. Die worden dan „door lachstuipen uit- en inelkaar gedreven”. Ik zag het voor me, gezichten paars van het lachen, betraande ogen, en dan het slotwoord: „Hèhè, was dat even lachen!”

In dezelfde periode maakten Willy Walden en Piet Muyselaar furore, verkleed als oudere dames, Juffrouw Snip en Juffrouw Snap. Met verdraaide stem wisselden ze de wisecracks van die tijd uit. De natie lachte zich een ongeluk. In de oorlog ging het lachen door, al lachten de NSB’ers vaak om andere dingen dan de niet-NSB’ers. Wie de Nederlandse lach (en de traan) wil bespreken, moet Jacques van Tol noemen, de tekstschrijver die liedjes en sketches gemaakt heeft voor het antisemitische Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter, maar ook voor Snip en Snap en de naoorlogse humorkoning André van Duin. Zie de biografie De Spookschrijverdie Henk van Gelder over deze curieuze humorist heeft geschreven. In de oorlog had je ook Willem W. Waterman (Willy van der Heide) met zijn boek Wie zei dat je in deze tijd niet kon lachen.

Na de oorlog komen Godfried Bomans en Simon Carmiggelt. Je hebt talenten die uitnodigen tot navolging en andere die zo uniek zijn dat niemand eraan begint. Carmiggelt heeft geen epigonen maar de stijl van Bomans was en is nog steeds besmettelijk. Bomansklanten vallen te herkennen aan hun nadrukkelijkheid die bij de schrijver zelf tot zijn DNA hoorde en bij de anderen het waarmerk van de vervalsing is. Het tragische van een epigoon is dat hij zelf niet ziet dat hij epigoon is.

Door alle fasen van het Nederlandse humorisme heen heeft zich de Amsterdamse tramconducteur gehandhaafd. Ze zijn wel schaarser geworden maar als ze leuk worden is het alsof je hoofd van je romp wordt geschroefd. En dan, door de opkomst van de moderne media en in het bijzonder internet, heb je naast de burgerjournalist en de burgerfotograaf ook de burgerhumorist gekregen. Ik ga geen citaten geven; volsta met een samenvatting: dit is heel ellendig. Popprogramma’s, quizzen, spelletjes op radio en televisie en internet hebben een nationale plicht doen ontstaan: iedereen moet op gezette tijden leuk uit de hoek komen. Zo is Nederland een heel leuk land geworden.