Leven met Louis

Lilian Blom: De tuinkamer. De Bezige Bij, 160 blz. €16,90

De schrijver Louis Ferron heeft al tijden last van zijn maag als hij in de zomer van 2005 eindelijk naar de dokter gaat. Hij blijkt kanker te hebben, met uitzaaiingen in de alvleesklier, de lever en de darmen. Niets meer aan te doen. Zijn laatste weken brengt hij door in de tuinkamer van zijn huis in Haarlem. Op 26 augustus sterft hij, 63 jaar, nadat de huisarts hem de ‘finale prik’ heeft toegediend. Lilian Blom, de vrouw van Louis Ferron, schreef er een boek over, De tuinkamer.

Dat boek gaat ook over het begin van hun relatie, twintig jaar eerder in een Haarlems café. Louis Ferron staat daar dronken te oreren over een op te richten neostalinistische actiegroep en roept, als hij Lilian Blom ziet, dat hij met ‘die vrouw’ een huwelijksbureau wil beginnen in Israël. Zijn eerste woorden tegen haar: ‘Jij bent zeker Esther Diamant’. Het duurt even voordat Lilian Blom, zelf ‘herstellend van een ingrijpende echtscheiding’, ook zijn leuke kanten begint te zien.

Lilian Blom had een joodse vader, die na de oorlog zijn voornaam van ‘Salomon’ in ‘Frits’ liet veranderen en er verder nooit meer over wilde praten. De vader van Louis Ferron was een Duitser, een getrouwde man, die in de oorlog met een Nederlands meisje ging vrijen. Dat maakt de relatie er in het begin ook al niet gemakkelijker op. Wat mooi beschreven wordt: hoe Ferron – eigenlijk Karl Heinz Beckering – erachter komt dat zijn vader hem in de oorlog mee naar Duitsland nam om hem aan zijn vrouw te geven. Die kon zelf geen kinderen krijgen.

De vader komt later om bij een bombardement en de kleine Louis moet na de oorlog terug naar Nederland, opgeëist door zijn echte moeder. Maar die houdt hem niet bij zich. Ze stuurt hem naar een kindertehuis in Leiden. Later hoort Louis Ferron dat zijn Duitse pleegmoeder soms stiekem naar hem kwam kijken als hij speelde op het schoolplein.

Lilian Blom probeert haar man gelukkig niet psychologisch te verklaren, maar door in haar verhaal vroeger en nu steeds handig af te wisselen weet ze de lezer er wel van te overtuigen dat in dat verleden de oorzaak van Ferrons schrijverschap moet worden gezocht. En ook die van zijn drankzucht, zijn rookverslaving, zijn lastige karakter.

Het enige wat jammer is in De tuinkamer: de taal die Lilian Blom mensen in de dialogen laat spreken, met lange zinnen en woorden als ‘dolgraag’ en ‘beste knul’ en ‘mijn o zo zorgeloze jeugd’. Een beetje onecht.