Kastje

We bezochten de crematieplechtigheid van een vriend, die na jaren van zware fysieke beproevingen was overleden. Tijdens de dienst zag ik af en toe zijn gezicht voor me, zoals ik me dat herinnerde van vóór zijn moeilijke jaren. Maar ik zag ook nog iets anders, iets waarmee mijn herinnering aan hem altijd verbonden zal blijven. Het was een sober gebruiksvoorwerp, maar het was al jaren niet meer uit ons dagelijks leven weg te denken.

Een tv-meubel.

Een handig houten kastje op wieltjes waarop onze televisie stond en waarin een ruimte was uitgespaard voor videobanden en afstandsbedieningen. Hij had dat kastje voor ons gemaakt. We hadden destijds voor ons nieuwe huis vruchteloos naar een mooi, passend kastje gezocht. Hij hoorde daarvan en zei: „Dan maak ik dat toch even.”

Verder maakte hij er geen woorden aan vuil. Hij was een nuchtere man, wars van gewichtigdoenerij, zijn oudste zoon zei tijdens de dienst dat zijn favoriete uitdrukking was: „Wat ’n onzin.”

Hij was niet zozeer een man van woorden alswel van handen. Zo’n man die alles zelf repareert, opknapt en verbouwt. Voor zichzelf, maar ook voor anderen. Mijn ervaring met zulke mensen – ik heb ze gelukkig ook in mijn eigen familie – is dat ze zich daar nooit op laten voorstaan. Ze vinden het prettig om hun handen te gebruiken, wat moet je er immers anders mee doen, en als ze daar ook nog iemand anders een plezier mee kunnen doen, is dat mooi meegenomen.

Dus terwijl jij met hun vrouw een overbodig praatje maakt over een overbodige Franse film die je net hebt gezien, meten zij de boel vast op. „Had je het zó ongeveer gedacht?” vragen ze als je uitgekletst bent.

Ze noemen langs hun neus weg nog een paar technische probleempjes die opgelost moeten worden, maar aan hun toon hoor je het al: dat komt wel goed. Fluitend gaan ze aan de slag.

Onze overleden vriend was bouwkundige. In een latere fase van zijn carrière was hij gepromoveerd naar een louter organisatorische functie. Hij had daarna het contact met de werkvloer erg gemist. Begrijpelijk. Tussen de wereld van handen en die van woorden staat een muur die zelfs de handigste man niet afgebroken krijgt.

Ik vroeg na de dienst aan de jongste zoon: „Hebben jullie het technische talent van je vader geërfd?” Jazeker, hij bleek zelf ook bouwkundige. De andere zoon was de kant van de taal opgegaan – de mijne dus. Ik had het aan zijn toespraak kunnen horen.

De taalmensen hebben in het gewone leven altijd de handenmensen nodig, andersom is dat veel minder het geval. Ik heb dan ook een diep respect voor de handenmensen. Was mijn vader maar zo iemand geweest. Dan zou ik nu misschien een vloertje kunnen leggen in het nieuwe huis van mijn kinderen, de auto van de bovenbuurvrouw weer aan de praat krijgen of bij onszelf een kattenluikje maken waar die verdomde kat wél doorheen wil.

Onze vriend is er niet meer, helaas. Hij is vernietigd door Degene die met zíjn handen alles maakt en breekt. Maar zijn kastje heeft hem overleefd. Veel meer hoeft een mens voor mij niet te bereiken.