Je houdt van de man

In september 2006 ging Tommy Wieringa op bezoek bij de Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen, die in 1961 ook op 39-jarige leeftijd de F. Bordewijkprijs kreeg. „Op dit moment is mijn leven overgoten met een helder licht.”

Twee keer in mijn leven heb ik om een boek gehuild. Huilen is het laatste bastion tegen de ironie, wie huilt twijfelt niet aan zijn emotie, ‘wat ik voel is echt, kijk maar, dit zijn mijn tranen’. Wie de echtheid van tranen, het gevoel achter de tranen in twijfel trekt, stuit op een taboe. U weet misschien dat taboe afstamt van tapu, een Polynesisch woord dat heilig betekent, dat wat niet mag worden aangeraakt. Tranen lijken authentiek, wie huilt verdedigt zijn tranen met heftige agressie tegen de onreine aanraking van de ironie, het ongeloof, de grap.

U bent gewaarschuwd.

De eerste keer dat ik moest huilen om een boek, was in januari 1997. Ik at een bord linzensoep in een restaurant in Mekele, in het noorden van Ethiopië. Voor me op tafel lag Titaantjes van Nescio. Het was de tweede of derde keer dat ik het las, voordien had ik slechts notie genomen van de hartverscheurende weemoed, de tragiek van het voorbije, ditmaal was het anders. Het overviel me met onverwachte heftigheid op de laatste pagina’s, daar waar Koekebakker Bavink ontmoet op Amsterdam Centraal, en Bavink niet lang daarna wordt opgenomen in een inrichting, mal geworden door zijn onvermogen om de zon te schilderen. Iemand stak een dolk in mijn hart, door mijn tranen gebaarde ik naar de gechoqueerde restauranthouder dat ik geen hulp nodig had, het was in orde, literatuur meneer, niets aan de hand.

In november 2000 gebeurde het me opnieuw. Tussen hemel en aarde ditmaal, in een klein vliegtuig boven de Atlantische Oceaan, tussen twee Kaapverdische eilanden in. Ik las Boeli van Leeuwen, die ik een van onze grootste schrijvers vind. Het verhaal The rest is silence verscheen in 1989 als column in de Curaçaosche Courant en kreeg een tweede leven in de bundel Geniale Anarchie, zodat ik het nu boven de oceaan kon lezen. Het gaat over hemzelf, over Boeli van Leeuwen, een oude man die zijn levenseinde ziet naderen op een eiland van koraal en diabaas, en zich behangt met kleurige steentjes en Swatch-horloges omdat hij wil dat we hem zien als een „excentrieke, oude man (...), zo ver mogelijk verwijderd van die arme drommel die straks, als een stuk vee, in het abattoir op zijn dood zit te wachten.”

„Maar”, schrijft hij, „er moet een wonder gebeurd zijn, want op dit ogenblik is mijn leven overgoten met een helder licht, ik voed mij met mensen die steeds mooier worden.” Het wonder dat hem overvalt, heeft te maken met humaniteit, met de blik van een grote ziel: „Ieder mens is een universum, een groot geheim, want ieder mens is geschapen naar het beeld van God. Er zijn geen lelijke mensen. Het is ons kijken dat hen vernedert. Hun schoonheid wordt hersteld door het zien. Waarom krijgt men pas zo laat in het leven dit vermogen om te zien?”

Op 5 september 2006 gaat ’s avonds de telefoon, ik neem gehaast op, morgenvroeg vertrek ik naar de Nederlandse Antillen, ik moet mijn kat en mijn verloofde nog aaien en nog hemden strijken. Het is de voorzitter van de Jan Campertstichting, hij zegt dat ik een prijs gewonnen heb, de F. Bordewijkprijs. Omdat ik niet zo goed weet wat ik moet zeggen naast dankuwel en dat ik er blij mee ben, zeg ik: „Bordewijk, daar heb ik een eerste druk van in kast, van Bint, in 1934 uitgegeven in Utrecht bij De Gemeenschap. Katholieken.”

Maar er is weinig tijd, de voorzitter moet nog meer prijswinnaars bellen, ik ga verder met inpakken.

Op Curaçao logeer ik

in het Avila Beach Hotel, niet omdat alle Nederlanders dat doen, maar omdat – volgens diverse bronnen – Boeli van Leeuwen daar ’s morgens koffie drinkt. Dan zal ik hem aanspreken en vertellen over het wonderlijk mooie toeval van de Bordewijkprijs op de avond voor vertrek, de prijs die hij in 1961 ontving voor De rots der struikeling, toen de Bordewijkprijs nog de Vijverbergprijs heette. Hij was toen 39 jaar, precies even oud als ik nu – is dat niet schitterend, mijnheer Van Leeuwen?

Maar na vijf dagen is hij nog altijd niet in het hotel opgedoken. Ik hoor dat hij min is, en slecht ter been. Volgende maand wordt hij 85, ik moet opschieten. In het telefoonboek vind ik dr. W.C.J. van Leeuwen, ik wacht nog twee dagen, dan bel ik hem op. Een kleine stem neemt op: „Boeli.” Ik leg de situatie uit – Bordewijk, Vijverberg, 1961-2006, beiden 39 jaar – alles in één adem samengeperst. Het antwoord is bemoedigend, ja, ik kan hem ontmoeten, ‘maar neemt u een auto mee, dan kunnen we wat rondrijden.’

De volgende morgen huur ik een auto en rijd naar de wijk Van Engelen. Ik parkeer onder de bomen voor het huis; op de porch, in de schaduw van zijn breedgerande rieten hoed, zit een oude man op de uitkijk. Leunend op zijn stok komt hij naar me toe. Boeli van Leeuwen, wiens werk zoveel voor mij betekent; een schok, hij is het.

We zitten in de voorkamer, een zware negerin in een flodderjurk brengt kopjes sterke koffie. Boeli van Leeuwen, zo mager, een vogelverschrikker na de storm, hij woont al nauwelijks meer in zijn kleren. Aan zijn voeten draagt hij gymschoenen met afgeknipte neuzen, waar flodderige blauwe sokken uitsteken. Er staat ‘Flying’ op die gymschoenen, zodat ik aan Hermes moet denken, boodschapper van de goden. Van Leeuwen praat heel zacht, fluistert bijna. „Ik werd wakker vanmorgen en dacht ‘die flikker komt niet’.” Hij steekt een Marlboro op tussen gele vingers. „Ouderdom is een precaire zaak. Het lijkt of alle rampen erop wacht je tegelijk aan te vallen.” Zijn hand vervormt tot een klauw die grijpt. Schrijven doet hij niet meer, sinds Geniale Anarchie al niet. „Schrijven is kracht. Ik had de kracht niet meer, dan moet je stoppen. Ik wilde niet zo’n slap, lebberig einde.

Ik geef mijn boek dat ik voor hem heb meegebracht. Hij monstert het, bekijkt voor- en achterplat, zegt dan: „Al die dingen zijn te dik man. Er zijn maar een paar dingen die niet korter mogen, de Negende Symfonie, het Nieuwe Testament en A clean well-lighted place van Hemingway, maar alléén die short-story.”

De hemel is bewolkt, bij de buren wordt gebouwd. Een betonmolen lijkt stenen te vermalen. We stappen in de auto en rijden zomaar wat rond. Ik vraag of hij zijn gordel wil omdoen. „O ja?” hoor ik naast me. „Ben jij een believer in riemen?”

Hij vertelt over zijn liefde voor Van Gogh, Rembrandt, Dostojevski. Liefde voor het werk betekent liefde voor de maker. Je houdt van de man, zegt hij. „Tolstoj is een groter schrijver dan Dostojevski, maar ik houd van Dostojevski. Ik houd ook van Van Gogh, maar niet van Hemingway, die sloeg met z’n torerovriendjes voor de grap een flikker tegen de grond.”

Ik vertel waarom ik hem wilde bezoeken, wat zijn werk voor me betekent. Hij kijkt me van opzij aan, zegt dan: „Je hebt iets van een Fries. Ik ben zeer gesteld op Friezen, het zijn idealisten. Alle grote Nederlandse socialisten waren Friezen. Ik herinner me hoe ik in de oorlog bij die Friese boeren aan tafel zat. Voor de maaltijd werd er gebeden, de vader las voor uit de Statenbijbel, gedragen, alles was heel stil, en ik weet nog dat ik dacht dat dit zo on-dierlijk was, zo on-dierlijk. Ook al wist hij nauwelijks wat hij las, en was het al helemaal de vraag of hij zich eraan zou houden.”

We rijden twee rondjes door de wijken Van Engelen en Santa Rosa die morgen, Van Leeuwen is voornamelijk aan het woord. Zijn geheugen is een ordelijke bibliotheek, alles staat op alfabet, zonder aarzelen grijpt hij wat hij nodig heeft. Het is erg stimulerend. Als we afscheid nemen, zegt hij: „Er zou meer tijd moeten zijn om al die boude beweringen een beetje toe te lichten.” En: „Ik vond het leuk je te ontmoeten. You did me a world of good, man. Ik ben blij dat die boeken van mij niet voor niets geschreven zijn.”

Dan verdwijnt hij in de schaduw van het huis. Hij heeft de hoed met de rafelige zijden band erom nooit afgezet.

Waarom vertel ik deze dingen.

Omdat ik aan voetballers moest denken die voor de televisiecamera’s de overwinning nooit alleen aan zichzelf toeschrijven, maar aan het hele team. En toen dacht ik aan Nescio in zijn graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, aan Boeli van Leeuwen op zijn rots aan de overkant van de oceaan, aan hoe hun werk in mijn werk is gevloeid, en vond dat ik deze dingen niet onvermeld mocht laten bij het aanvaarden van de F. Bordewijkprijs 2006.

Dit is de onverkorte versie van het dankwoord dat Tommy Wieringa op zondag 11 maart uitsprak bij de uitreiking van de F. Bordewijkprijs.