Is mens lekker?

Niets is onvertaalbaar en alles is te vertalen. Het bewijs daarvoor is heel eenvoudig te leveren: je vertaalt het, en voilà, het is vertaalbaar gebleken, want het is vertaald. Simpel als goedendag, simpel als een appelsien, zo simpel als simpel kan zijn. Toch gaan er veel dingen als onvertaalbaar door het leven, met name woordspelerige dingen.

Menig vertaler zit al te bibberen op zijn klapstoel in zijn onverwarmde konijnehol als hij een woordspeling voelt naderen, en niet van de kou dus, maar gewoon van angst. „Godverdomme, heb ik dat”, denkt hij in arre barre moede, „daar gaat m’n tempo, m’n kilometervergoeding, m’n gevarengeld, m’n no-claim en ik moet nog boodschappen doen.”

En dan ligt altijd het gevaar op de loer dat de woordspeling onder het Vertaliaanse tapijt verdwijnt, uit een gevoel van onmacht van de vertaler enerzijds en van een sterk gevoelde ontoereikendheid van de doeltaal anderzijds. En dat is jammer, want, om met The Beatles te spreken, er is niks wat je kan doen en wat niet gaat, niks wat je verzint en niet bestaat. Dus ook: niks wat je vertaalt wat niet opnieuw ontstaat.

Een gooi doen naar een vertaling van een onmogelijke woordspeling is altijd beter dan je ogen ervoor te sluiten en dan te denken dat het er niet meer is. (De struisvogel is een heraldisch dier in Vertalië.) Woorspelingen zouden de krenten uit de pap moeten zijn, wat er gewonnen wordt in de vertaling. Neemt niet weg dat het ook heel moeilijk kan zijn, zeker als de woordspeling in de titel voorkomt en het hele verhaal erop gebaseerd is.

Zo schreef en tekende Moebius in 1977 de science-fictionstrip L’Homme est-il bon? Het is het bloedstollende verhaal van een ruimtereiziger die verdwaalt op een verre planeet en in de eeuwige mist wordt achtervolgd door een legertje afgrijselijke inlanders. Hun uitstekend vertaalbare voetstappen door de groene derrie van het oppervlak van deze planeet gaan van ‘flok flok flok’. De man vlucht op een eenzaam rotsblok, dat wordt omstuwd en tenslotte met een welgemikt ‘spltch’ omvergeduwd door de wanstaltige gedrochten. Ze kleden hem uit en voeren hem gevankelijk af naar hun leider. Die buigt zich dreigend voorover naar de klemvast gehouden aardling en rukt hem een oor af. Hij steekt het oor in zijn muil, proeft het, kauwt erop, en spuwt het verontwaardigd en met een vies gezicht weer uit, als een groene Johannes van Dam van de planeet Vunes: ‘piurt!’

Op het laatste plaatje staat de oorloze aardling in z’n nakie in de derrie, terwijl het afgrijselijke volkje flokflokkend wegtrekt. De grap is nu dat de van oorsprong filosofische vraag: ‘l’homme est-il bon?’ – is de mens goed – door Moebius op fysiologisch-culinair niveau wordt beantwoord met: nee.

En zo heeft de Nederlandse vertaler het verhaal genoemd: Is mens lekker? Waarmee de dubbele bodem en de filosofische premisse helaas in een allesverslindend Zwart Gat zijn gevallen, omdat de clou al in de titel wordt weggegeven. Hoe zou het dan moeten? In het Engels kom je er nog mee weg door te vragen: Is man good? Maar in het Nederlands? Wij weten het (vooralsnog) niet.