Ik vind angst voor ernst afschuwelijk

Letterenpaus Kees Fens (76) schreef het Boekenweek-essay Op weg naar het schavot over humor en literatuur.

Maakte schrijven over humor u vrolijk?

„Alleen het teruglezen van de teksten maakte me vrolijk, het schrijven zelf niet. Je moet oppassen met zo’n onderwerp. De beschouwer dient niet zelf humorist te worden. In de aanwezigheid van God ga je ook geen theologie bedrijven.”

U heeft inderdaad niet leuk willen doen. Dat mag ook wel, want in ‘Op weg naar het schavot’ trekt u nogal van leer tegen de moderne ‘leukcultuur’.

„Alles moet leuk zijn tegenwoordig en dat ontneemt de dingen hun zwaarte. In het onderwijs moet de lesstof bijvoorbeeld leuk gepresenteerd worden. Daar wordt het lichter van. De leukcultuur is ontstaan op de televisie. Alles moet daar leuk gebracht worden. Zo’n programma als De Wereld Draait Door: iedereen is daar opgewekt. Ik vind dat afschuwelijk, die angst voor ernst.”

U heeft een ernstige visie op humor?

„Dat kun je gerust zeggen. Het diepste kan ik lachen over dingen waar je ook om kunt huilen. Gogol bijvoorbeeld, de grootste humorist aller tijden, zijn personages komen in zo’n gigantische onmacht terecht. Of de joodse humor, die is zo sterk is omdat het ontsnappingshumor is. Die maakt de droefheid minder grijs.”

Als ik uw werk lees, lijkt u me niet de persoon om mee te doen aan zo’n mediacircus als de Boekenweek.

„De enige reden dat ik meedoe is omdat ik dat boekje wilde maken. Ik weiger verder het land in te gaan.”

Wat vond u van het Boekenbal?

„Als marktplaats voor menselijk contact is het Boekenbal uitstekend. Ik heb veel mensen gesproken die ik sinds lange tijd niet meer heb gezien. Maar ik heb me de hele avond op dezelfde plek in de foyer van de stadsschouwburg opgehouden, omdat ik niet meer zo goed ter been ben. Gelukkig kwamen er veel oude vrienden op mij af.”

U beweegt zich niet op het Boekenbal, dat is een zeldzame eer die u alleen deelt met Harry Mulisch.

„Nou ja, Mulisch ontvangst zijn gasten als een koning. Ik ontvang ze, laat ik zeggen, als een simpele baron.”

Op het Boekenbal kreeg u de Orde van de Nederlandse Leeuw uitgereikt uit handen van minister van OCW, Ronald Plasterk, de man die u in een column ‘de gekuifde ijdelheid’ noemde.

„Ik noemde hem zo omdat hij het nodig vond om tot tweemaal toe in de krant te schrijven over zijn jurylidmaatschap van de Libris literatuurprijs. Daar moet je niet mee koketteren. Toen Plasterk me het lintje had uitgereikt, dankte ik hem met de woorden: ‘Even goede vrienden, maar om met Boutens te spreken: ‘even ja’.”

Heeft u eraan gedacht de ridderorde te weigeren?

„Nee, ik ben bezweken voor de aandrang. Ik wilde eigenlijk dat het in een achterkamertje zou worden uitgereikt, maar het gebeurde op het podium. Daar stond ik dan, alleen met Ronald Plasterk naast me. Honderden mensen keken me aan. Ik voelde me zo eenzaam! Als zo’n hele zaal applaudisseert moet je wel de nederigheid van Franciscus van Assisi bezitten om niet een beetje ijdel te worden.”

Wat heeft u eigenlijk aan een lintje, u heeft de P.C.Hooftprijs toch al?

„Daar zit wel wat in. Ik ben al zoveel onderscheiden. Mijn dochter zei vanochtend tegen me: en nu hebben we het alleen nog maar over de begrafenis. Dat bewijst wel hoe diepgeworteld het gevoel voor humor in mijn familie zit.”