Ik heet Mirza, tenminste volgens mijn vliegbrevet

Vroeger waren het de Duitsers die geen gevoel voor humor heetten te hebben, vandaag de dag zijn dat de moslims. Al eerder was het idee wijdverbreid dat er bij moslims geen lachje van af kan, maar sinds de Deense cartoonaffaire is het al helemaal gemeengoed geworden. Ter gelegenheid van de Boekenweek doet Abdulwahid van Bommel, voormalig jazzmuzikant en imam, nu een poging om dit stereotiepe beeld te ontkrachten, al onderkent hij dat sommige moslims zichzelf wel eens wat minder serieus zouden mogen nemen.

In hoog tempo passeren relevante thema’s de revue, zoals de vraag of de Koran het lachen verbiedt en of de profeet gevoel voor humor had. Ook geeft Van Bommel aanzetten tot een wat analytischer kijk. Twee facetten ontbreken grotendeels: een bespreking van de talrijke, dikwijls scabreuze, moppen over imams en andere geestelijken die onder moslims de ronde doen; en een antwoord op de vraag hoe je volgens de Koran moet omgaan met degenen die het geloof bespotten. Daarin wordt met zoveel woorden aanbevolen om je niets van spotters aan te trekken, omdat die zich ooit tegenover hun schepper zullen moeten verantwoorden.

De beste humor bestaat niet uit het kleineren van anderen, maar bevat vooral zelfspot. Joden vertellen moppen over zichzelf die ze van een niet-jood niet accepteren. Hetzelfde geldt voor moslims. Daarom hoeft het niet te verbazen dat de ware helden van Van Bommels betoog vrouwelijke stand-up comedians zijn, zoals de Brits-Pakistaanse die kort na 11 september een act opende met: „Mijn naam is Shazia Mirza, tenminste, dat staat op mijn vliegbrevet.”

Abdulwahid van Bommel: Valt er nog wat te lachen met die moslims.

Bulaaq, 160 blz. €14,50

***--