Huis voor alle identiteiten

Neil MacGregor is directeur van het British Museum in Londen, waar kunstwerken en publiek uit de hele wereld bijeenkomen. De entree is er gratis. „Daardoor kan iedereen meedoen.”

Bescheiden zijn ze niet bij het British Museum, nobel wel. Het Londense museum beoogt niets meer of minder te zijn dan een museum ‘van de wereld, voor de wereld’. „Ik kan het niet genoeg onderstrepen”, zegt Neil MacGregor, de bevlogen directeur. „Het British Museum is geen neutraal terrein, maar hoort aan iedereen toe.”

Hoe je ook over deze ambitie mag denken, het is ontegenzeggelijk een benadering die wonderwel past in het huidige multiculturele tijdperk. Al helemaal in Londen, de meest internationale stad ter wereld. Maar het aardige is dat het in het British Museum, gesticht in 1753, allerminst om een modegril gaat. Vanaf het begin hebben de oprichters dit ideaal gekoesterd en is het museum gratis voor iedereen toegankelijk geweest.

„Je kunt zelfs betogen”, zegt MacGregor in zijn werkkamer met uitzicht op het gazon voor het monumentale classicistische gebouw, „dat het museum de eerste manifestatie in culturele zin was van de mondialisering. Voor het eerst werd het in de achttiende eeuw voor één stad mogelijk in contact te staan met de hele wereld. Fascinerend is dat het een concept is van vóór het Britse koloniale rijk, dat de wereld wilde begrijpen. De collecties van het British Museum zijn vooral tijdens de koloniale periode vergaard. Maar interessant is dat het oude ideaal uit de tijd van de Verlichting weer nieuwe betekenis krijgt in de postkoloniale wereld.”

Het British Museum is in elk geval uitgegroeid tot een ongeëvenaard multicultureel brandpunt, zowel door zijn collecties als door zijn miljoenen bezoekers per jaar. Een korte rondgang door het reusachtige museum bewijst dat. In zichtbare verrukking neemt een jonge Oosterse man op gymschoenen foto’s van een Chinese paleisscène op een perkamentrol uit de vierde eeuw. Het werk, De vermaningen van de leermeesteres van de hofdames, is volgens het museum mogelijk de belangrijkste schildering uit de Chinese kunstgeschiedenis. Is de man zelf Chinees? „Nee, ik ben Japans, maar ik vind dit fantastisch”, zegt hij in gebroken Engels. Hij glimlacht en neemt meteen weer zijn camera en notitieboekje ter hand.

Enkele zalen verderop zijn twee mannen, zo te zien uit het Midden-Oosten afkomstig, boven een vitrine gewikkeld in een levendige discussie over de muzikale kwaliteit van een 4600 jaar oude Sumerische lier, versierd met een fraaie buffelkop. Tussen de vitrines met Egyptische mummies dartelen intussen groepen Londense schoolkinderen, waarin alle rassen op aarde lijken te zijn vertegenwoordigd. In een andere vleugel, op een bank voor de beroemde Elgin Marbles, de sculpturen van het Parthenon in Athene, laat een jong Pools stel zich inspireren tot een hartstochtelijke omhelzing.

De oprichters van het museum zagen cultuur als iets dat de mensheid bindt. „Het British Museum is gegrondvest op het idee dat als je naar verschillende culturen naast elkaar kijkt, je ontdekt dat ze allemaal hetzelfde zijn”, aldus de directeur. „Daarom moet je verdraagzaam zijn jegens verschillen, want die zijn slechts oppervlakkig. Zo bezien wordt het vergelijken van culturen hét middel om één gezamenlijke mensheid tot stand te brengen. De negentiende eeuw met zijn veel beperktere nationalisme heeft dat juist weer helemaal op zijn kop gezet.”

MacGregor, een beminnelijke man met grijzend haar die af en toe aanstekelijke lachsalvo’s afvuurt, is sinds 2002 directeur van het British Museum. Hij heeft met zijn geestdrift voor cultuur iets van een missionaris, zij het een buitengewoon verlichte. Niet voor niets kreeg hij in zijn vorige functie als hoofd van de National Gallery de bijnaam Saint Neil. Die titel sloeg zowel op zijn inspirerende manier van leiding geven als op zijn diep christelijke overtuiging.

De rol van zijn museum in het multiculturele tijdperk gaat MacGregor zeer ter harte. „Er zijn twee dingen, die veranderd zijn voor musea vergeleken met vroeger”, zegt hij. „Ten eerste kunnen kunstobjecten veel makkelijker reizen. Daardoor kunnen we de collecties werkelijk met de hele wereld delen. Zo kan Afrikaans materiaal naar China worden gezonden, Arabisch materiaal naar Kenia enzovoort. Dat is belangrijk. Het tweede is dat we hier in Londen nu de hele wereld hebben wonen, meer dan in welke andere stad ook. Er hoeft nu geen verschil meer te worden gemaakt tussen het land van oorsprong en de diaspora. Het onderscheid is min of meer verdwenen. Dat betekent dat leden van de Soedanese of de Bengaalse minderheid hun wortels hier in het museum kunnen vinden. Maar ze kunnen die ook vergelijken met de culturen van de rest van de wereld.”

Met voldoening ziet MacGregor terug op een groot Bengaals festival, dat het museum vorige herfst organiseerde. De Bengaalse gemeenschap in Londen hielp bij de tentoonstelling met de interpretatie van sommige voorwerpen. Veel van de uitgebreide Bengaalse collectie bestaat uit volkskunst, zoals geborduurde lappen met voorstellingen erop. De Bengalen, vaak afkomstig uit dorpen, kenden het verhaal daarvan nog.

Voor het festival werd in de grote hal van het museum uit Bengaalse klei een groot beeld nagemaakt van de populaire hindoegodin Durga, de belichaming van vrouwelijke en creatieve energie. Vijf weken lang dromden Bengalen naar binnen. „We wilden laten zien dat de tradities van de moslims en de hindoe’s in Bengalen nauw met elkaar zijn verbonden”, aldus MacGregor. „Het fascinerende was dat ook veel moslims uit Bangladesh kwamen kijken naar Durga. Dat gaf aan dat het Bengaalse culturele erfgoed in sommige opzichten sterker is dan een bepaalde religieuze voorkeur.”

Vanouds worden de Durga-beelden aan het einde van het feest in India in de Ganges gedompeld. In Londen deed men dat in de Theems. MacGregor: „Dat illustreert prachtig de rol die het museum kan spelen in de wereld van na de enorme ‘Völkerwanderung’ van de laatste generatie. Durga in de Theems is daarvan een perfect voorbeeld.”

Hoe belangrijk is de gratis entree, wanneer je arme migranten wilt aantrekken?

„Die is van het grootste belang. Daardoor kan iedereen meedoen aan zulke evenementen als het Bengaalse festival. Dat sluit ook weer aan bij die achttiende-eeuwse idealen. We hebben iets dergelijks ook gedaan met Soedan. Het lag natuurlijk heel gevoelig om mensen uit Noord- en Zuid-Soedan bij elkaar te brengen. Maar het lukte. We hadden een heel interessante dag met discussies over de cultuur en identiteit in Soedan.”

Veel migranten worstelen toch juist met hun identiteit?

„Wij proberen te laten zien dat iedereen vele identiteiten heeft. Ook de bezoekers van het Bengaalse festival waren hindoe, Bengaals en Brits, anderen moslim, Bengaals en Brits. Al die identiteiten leven samen. Het heeft geen zin je maar op één van die etiketten blind te staren en te zeggen: dit is wat ik ben. Alle identiteiten kunnen en moeten in één persoon in harmonie met elkaar samenleven. De werkelijke opgave voor een humane instelling is zich sterk te maken voor een meervoudige identiteit, wanneer de politieke dynamiek lijkt aan te sturen op één exclusieve identiteit.”

Veel is er de laatste tijd geschreven over de eigendomsrechten op kunstvoorwerpen. Ook grote musea als het British Museum worden soms geconfronteerd met verzoeken van andere landen voor teruggave. Maar doet die eigendomsvraag er wel zoveel toe? Gaat het niet veeleer om de toegankelijkheid van de kunst? Die laatste stelling kwam vorige maand aan de orde bij een discussie, belegd door de Unesco. Naast MacGregor waren daar zijn collega’s van het Louvre en de Hermitage uit Sint-Petersburg, die evenmin neigen tot teruggave van objecten. MacGregor hield een vurig pleidooi voor toegankelijkheid. In het geval van het British Museum via reizende tentoonstellingen in het buitenland en via maximale toegankelijkheid van de collecties in Londen.

Op die bijeenkomst klaagde een deelnemer dat 95 procent van de belangrijke Afrikaanse kunst in het buitenland is. Maakt dat het niet wenselijk althans een deel terug te geven? En geldt dat ook niet voor door de nazi’s geroofde kunst zoals de Goudstikkercollectie?

„Ik denk dat je de naziroof moet scheiden van de kwesties uit de koloniale periode. Dat zijn heel verschillende juridische en ethische vragen. De nazizaken vallen onder de Europese rechtsregels voor particulier eigendom. Die moesten weer van kracht worden nadat de nazi’s de regels met voeten hadden getreden en veel mensen onnoemelijk veel leed hadden berokkend. Bij de koloniale voorwerpen gaat het gewoonlijk niet om individueel eigendom. Ook de omstandigheden waarin die werken werden verworven waren verschillend. Er bestaat vaak een complexe relatie tussen de mensen, die de kunstwerken maakten, en de huidige staten in Afrika en elders.”

Maar heeft Afrika niet recht op althans een deel van zijn eigen erfgoed?

„Bij de Unesco-discussie maakte het Afrikaanse panellid duidelijk dat zijn grootste zorg was dat de musea in Afrika in staat zouden worden gesteld deel uit te maken van de internationale museumgemeenschap. Dat is van cruciaal belang. Er zijn musea die daar deel van uit kunnen maken. Die moeten kunnen lenen van musea in het ‘noorden’.”

Gebeurt dat al?

„Op het ogenblik is er een tentoonstelling in Nairobi die van groot belang is voor ons. Daar heb je een goed lopende museumdienst. Collega’s uit Kenia hebben bijna een jaar in het British Museum doorgebracht om te kiezen wat ze uit onze collecties wilden lenen om in Kenia ten toon te stellen. Het is voor het eerst dat een tentoonstelling met voorwerpen uit Europa geheel door Afrikaanse curatoren is georganiseerd. Dat is een belangrijk begin. Het interessante was dat de Kenianen niet zozeer Keniaanse voorwerpen kozen. Die hebben ze al. Maar ze kozen vooral objecten van elders in Afrika, uit Somalië, Congo en van eilanden in de Indiase Oceaan. Want uit die landen kan niets geleend worden. Zo konden de Kenianen hun eigen voorwerpen in een bredere context zien. Dat lijkt me belangrijker dan de bilaterale vraag wie een voorwerp bezit.”

Geeft die toegankelijkheid het British Museum het morele recht zijn collecties te behouden?

„Een van de opvallende zaken in het British Museum is dat de collecties geen bezit vormen van de Britse staat, heel anders dan in Nederland, Frankrijk en elders op het Europese continent. De collecties hier behoren toe aan de ‘trustees’ en die beheren ze voor de hele wereld. Onder de 25 trustees bevindt zich een Nigeriaan, een Indiër, een Grieks-Cyprioot. De trustees vertegenwoordigen de wereld. De helft van de leden zijn buiten Groot-Brittannië geboren. Onze voorzitter is evenmin Brits. Het Europese concept van eigendom is dus heel anders dan het Britse.”

Wat denkt u van de kwestie van de Goudstikker-collectie?

„Ik kan geen commentaar geven op die zaak, omdat het om een ingewikkelde juridische kwestie gaat. Maar elk museum heeft de plicht na te gaan of de collecties voorwerpen bevatten die onrechtmatig zijn verkregen. Dat hebben wij ook gedaan. Toen ik nog bij de National Gallery werkte, hebben we kunstwerken op onze website gezet waarvan we niet zeker waren wat er sinds 1933 mee was gebeurd. Iedereen die er iets over had te zeggen kon zich bij ons melden. We konden hetzelfde niet in het British Museum doen omdat de verzamelingen zo groot zijn. Maar we hebben zelf van enkele voorwerpen vastgesteld dat die vermoedelijk waren gestolen. We zijn ook door één familie benaderd die kon bewijzen dat tekeningen waren gestolen door de nazi’s. Ze wilde echter dat de tekeningen hier zouden blijven. We hebben toen een schadevergoeding voor ze geregeld. De familie was zo tevreden over de wijze waarop het werd afgehandeld dat ze ons nadien nog een andere tekening heeft gegeven.”

De universele idealen verschaffen het British Museum een fraai argument tegen verzoeken van regeringen om bepaalde kunstvoorwerpen te retourneren. Dankbaar speelt het museum die kaart ook uit in het geval van de Elgin Marbles, die de Griekse regering al decennialang probeert terug te krijgen. In een foldertje, dat bezoekers van de beelden wordt aangeboden, stellen de trustees dat de huidige verdeling tussen Athene en Londen „maximaal openbaar profijt voor de wereld als geheel met zich meebrengt.” Weer die even nobele als pretentieuze vanzelfsprekendheid waarmee het museum zich opwerpt als hoeder van de belangen van de wereld als geheel.

Betekent dit dat de kwestie van de Elgin Marbles voor u is afgehandeld?

„Niemand in Europa zal betwisten dat de beelden juridisch gezien eigendom zijn van de trustees. De enige vraag is waar ze het beste tot hun recht komen voor het publiek. Het Parthenon is een ruïne die niet kan worden herbouwd. De helft van de beelden die het gebouw versierden is verwoest. Van de andere helft is ruwweg de helft in Athene en de andere helft in Londen en dan zijn er nog kleinere stukken in het Louvre, het Vaticaan en elders. Dit is een gelukkige oplossing want het betekent dat sommige beelden kunnen worden gezien in de context van een nationaal Grieks verhaal in Athene en andere in de context van een wereldverhaal hier. De trustees en ik geloven dat het van belang is dat de Griekse bijdrage aan de cultuur van de mensheid kan worden gezien in de context van Egypte, Assyrië, China, Afrika en India. Ergens ter wereld moet er een plaats zijn waar dat kan.”

Maar u biedt de bezoekers wel foldertjes met uw standpunt over de Elgin Marbles aan? Voelt u zich toch niet helemaal op uw gemak?

„Nee, dat doen we omdat het een punt betreft dat regelmatig aan de orde wordt gesteld door de Griekse regering. Daarom stellen bezoekers vragen. In plaats van suppoosten het ingewikkelde verhaal steeds te laten vertellen, besloten we de foldertjes aan te bieden aan mensen, die daarvoor belangstelling hebben. We verwijzen daarop trouwens ook naar de website van de Griekse regering.”

Is het niet misleidend om van een British Museum te spreken, wanneer het eigenlijk voor de hele mensheid is bedoeld?

„Je moet dat British vooral uitleggen als het tegendeel van ‘koninklijk’. Het belangrijke was dat dit museum er een voor de burger moest worden, dat het open zou zijn voor het publiek. Het is wel Brits in de zin dat het werd opgezet door het Britse parlement. Tot halverwege de achttiende eeuw had geen enkel land een nationaal museum. Dit was het eerste. Het idee was dat je burgers nodig had die goed waren geïnformeerd, burgers die toegang hadden tot informatie en hun eigen mening konden vormen over hun plaats in de wereld en de samenleving. Het paradoxale is dat het bedoeld was om een bepaald soort Britse samenleving te vormen maar het was altijd beschikbaar voor de hele wereld. Dat maakt het zo’n opvallend verschijnsel.”

In de negentiende eeuw hebben ook andere landen dergelijke musea proberen op te richten?

„Die waren juist niet hetzelfde. De latere musea, te beginnen met het Louvre, waren in een heel andere zin nationale musea. Maar weinig latere musea waren erop gericht de culturen van de hele wereld in één gebouw bijeen te brengen. En maar heel weinig musea waren opgericht ten bate van de hele wereld. Dat komt doordat er een enorm verschil is tussen de achttiende en de negentiende eeuw. De universele idealen van de Verlichting werden toen in de meeste landen vervangen door meer beperkte nationalistische idealen. Het British Museum daarentegen is nooit gericht geweest op de Britse identiteit in engere zin.”

Dan moet MacGregor naar het ministerie van Financiën, om te praten over de staatsbijdrage voor 2008. Want door de gratis entree draaien vooral de belastingbetalers op voor de kosten. Het is hun offer voor het museum van de wereld voor de wereld.