Hoe raken we Colijn kwijt?

Aan de productiefste dagboekenschrijver van de 20ste eeuw, P.J.M. Aalberse, danken wij veel kennis over de staatkundige praktijk van zijn tijd. Zijn carrière boezemt nu nog ontzag in.

Aalberse: Dagboeken 1902-1947. Uitgegeven door J.P. de Valk en A.C.M. Kappelhof (Instituut voor Nederlandse Geschiedenis), Den Haag, 1.003 blz. €...

De katholieke politicus P.J.M. Aalberse (1871-1948) was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zowel de intellectuele voorganger als het sociale gezicht van de katholieke staatkunde. In zijn ministeriële wetgevingsarbeid (1918-1925) was hij ongeëvenaard ambitieus, maar door de bank genomen ook zeer succesvol. In zijn publieke loopbaan die bijna vijftig jaar omspande was hij achtereenvolgens wethouder, kamerlid, fractievoorzitter, minister van arbeid, voorzitter van de Tweede Kamer, hoogleraar handelsrecht en lid van de Raad van State – nog afgezien van zijn tientallen voorzitterschappen van commissies en adviesraden. Een aantal van die functies combineerde Aalberse met het staatkundig hoofdredacteurschap van het progressief- sociale katholieke dagblad Het Centrum, respectievelijk De Maasbode en het Katholiek Sociaal Weekblad. Dat laatste, door hemzelf opgerichte blad vulde hij soms in zijn eentje met lange beschouwingen over sociale wetgeving. Tussentijds hield hij ontelbare drukbezochte spreekbeurten in het land en in de kleine uurtjes vond hij ook nog tijd om politieke en particuliere dagboeken bij te houden.

Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis heeft met recht een deel van zijn productiecapaciteit gebruikt om deze waardevolle geschriften van een met de politiek getrouwde professional voor het publiek toegankelijk te maken. Aan deze productiefste dagboekschrijver van de eerste helft van de 20ste eeuw (die opmerkelijk veel lief en leed over zijn gezinsleven prijsgeeft) danken we een schat van kennis over de staatkundige praktijk van de door Ruijs de Beerenbrouck en Colijn beheerste rechtse coalities.

De bewerkers van de dagboeken, de historici De Valk en Kappelhof, karakteriseren de minister Aalberse in hun inleiding als een man die in alle opzichten zijn vak beheerste: niet alleen goed in het ontwerpen van wetten, maar ook in het politieke handwerk. Aalberse verstond, volgens deze inleiders, als geen ander de kunst van overreden, dreigen, ontwijken, en het vormen van gelegenheidscoalities, soms met steun van de oppositionele SDAP.

De premiers Ruijs en Colijn leren we in al hun hebbelijkheden kennen. Noch met de een, noch met de ander had Aalberse een harmonieuze verhouding. In de ene relatie speelde standsverschil een rol, in de andere politieke animositeit. De adellijke Ruijs, premier van de twee kabinetten waarin Aalberse minister van arbeid was, voelde zich superieur aan de ‘sociaal gestegen’ zoon van een banketbakker en liet hem dat bij gelegenheid merken. Volgens Aalberse was Ruijs ‘heerszuchtig en intrigant’, maar ook een man om voor op je hoede te zijn. De betrouwbaarheid van deze partijgenoot/premier was in zijn ogen soms maar zo zo.

Verstekeling

Voor de antirevolutionair Colijn had Aalberse nog minder sympathie. In 1933, bij de formatie van het derde kabinet-Colijn, omschreef hij hem, naar eer en geweten sprekend, tegenover koningin Wilhelmina als een politieke verstekeling: ‘Colijn is geen staatsman, maar een militair die in de politiek verzeild is.’

Naarmate Colijn een hardere bezuinigingspolitiek voerde en ook de werkloosheidsuitkeringen verminderde, verlangde Aalberse steeds sterker naar een coalitie met de linkerzijde. In juli 1939 komt het zover. De politieke nood is voor Aalberse zo hoog gestegen dat hij eraan meewerkt Colijn ten val te brengen. Hij laat nu ook de traditionele katholieke tegenzin in samenwerking met de socialisten varen. De tijd is aangebroken om wraak te nemen op de ‘machtswellusteling’ Colijn, die de linkervleugel van de katholieke fractie met zijn hardvochtige ideologie vaak tot wanhoop heeft gebracht.

Aalberse, weliswaar een staatsman in ruste, maar nog altijd een man van groot gezag, adviseert zijn vriend Deckers, de katholieke fractievoorzitter, Colijn het bos in te sturen ‘om de eer van de katholieke fractie te redden’. Volgens Aalberse is het vijfde kabinet-Colijn (met liefst acht liberalen) ‘een gevaar op sociaal en economisch gebied’. Het kabinet sneuvelt al op de tweede dag van zijn bestaan: het wordt door de Tweede Kamer na aanvaarding van de motie-Deckers naar huis gestuurd. ‘Colijns machtspolitiek is definitief stukgelopen’, noteert Aalberse met onverholen tevredenheid. En passant geeft hij Deckers zijn zegen om met de SDAP in zee te gaan. ‘Men weet nu dat de ‘‘uiterste noodzaak’’ maar niet is geweest een camouflerende formule, maar dat we, als het moet, bereid zijn met de sociaal-democraten samen te werken’.

Keldertrap

Zijn de dagboeken van Aalberse vooral als bron van historie een aanwinst voor de parlementaire geschiedschrijving, ze vormen ook een saillante kroniek van het dagelijks leven onder de Duitse bezetting. Onder gecombineerde barre omstandigheden van honger en bombardementen van vliegtuigen en verdwaalde V1- en V2-raketten noteert Aalberse nauwgezet de ontberingen van mensen die bij gevaar hun heil zoeken onder de keldertrap.

De bejaarde oud-minister, die in zijn gloriejaren een flinke staat kon voeren maar nu ook financieel aan de grond zit, noteert in de winter van 1944 blij te zijn als iemand hem eens een paar pond aardappelen of wortelen of bieten bezorgt. In Den Haag heerst de noodtoestand: geen gas meer, geen elektriciteit, zelfs bijna geen kolen meer. ‘Elke avond met honger naar bed’, noteert hij in zijn dagboek. De voedselschaarste waaronder West-Nederland lijdt is een democratische, nivellerende nachtmerrie.