Het toeval is niets voor een schrijver

In ‘Lucifer’ laat Connie Palmen haar scherpe antenne voor de rituelen van de rouw zien. Lees ’t met een Hongaarse blik.

Eigenlijk zou Lucifer besproken moeten worden door een Hongaarse recensent, zei Cees Nooteboom in zijn toespraak op de presentatie van Connie Palmens nieuwe roman twee weken geleden. Het hoefde niet per se een Hongaarse Hongaar te zijn. Nooteboom bedoelde een lezer die het boek zuiver als fictie kan lezen, iemand die geen weet heeft van de werkelijkheid waar het boek naar verwijst: het leven van de componist Peter Schat, de ongelukkige dood van diens vrouw Marina Schapers en de zogenaamde ‘Herenclub’ rondom de schrijver Harry Mulisch.

Maar voorlopig zijn het niet de Hongaren die zich over het boek buigen, maar is het vooral de Amsterdamse grachtengordel, waar de Palmen Wars lijken te zijn uitgebroken. In een coverstory van HP/De Tijd werd deze week ruim baan gegeven aan mensen die Palmen hebben geholpen bij de research voor haar boek, maar die nu menen dat haar Lucas Loos een onecht portret van Peter Schat is, of zelfs een karaktermoord. Palmen zou een wraakoefening tegen Schat van de genoemde Herenclub voltrekken.

Je kunt je wel iets bij die woede voorstellen: hoofdpersoon Lucas Loos wordt tamelijk karikaturaal en weinig vleiend geportretteerd: deze van zichzelf vervulde componist is bot, narcistisch, analytisch minder begunstigd en bij vlagen agressief. Als Peter Schat bij leven méér was dan een groot kind met een kwade dronk, dan is het logisch dat zijn vrienden boos zijn.

Maar hebben ze gelijk met hun vermoedens van een complot, nog los van de vraag of het veel zin heeft om boos te worden om een portret in een roman?

Als je van een wat grotere afstand naar Lucifer probeert te kijken, laten we zeggen met de Hongaarse blik, dan is het portret van Loos’ vrouw, haar vrienden en vriendinnen en de hele Herenclub even karikaturaal las dat van Loos zelf. Er wordt erg veel gedronken, geflikflooid met wat er zich zoal aan jongens en meisjes aanbiedt en er worden nogal wat theorieën en theorietjes ontvouwd waarvan het maar goed is dat men ze de volgende ochtend weer vergeten is. Wie kijkt naar ‘De Tafel’ in Lucifer, ziet geen inspirerend kunstenaarsgezelschap, maar een kluitje pubers in verouderende lichamen. Vooral op emotioneel vlak zijn de heren en bijbehorende dames (zo liggen de verhoudingen) volslagen hulpeloze wezens.

Voor de kwaliteit van de roman zegt dat wel iets, maar niet alles. Wel in de zin dat een boek dat zozeer door karikaturale figuren wordt bevolkt op den duur wat afstandelijk wordt. Bovendien staan er veel moeizaam geformuleerde zinnen in Lucifer, zoals twee weken geleden al op deze plaats is gesignaleerd door Janet Luis. Een echt geslaagde roman kan je Lucifer dan ook niet noemen. Daartegenover staat dat het boek wél spannend is, je blijft hopen op een apotheose waarin de raadsels rondom de dood van Clara Wevers ineens opgelost worden. En het is een roman waarin Palmen haar scherpe antenne voor de rituelen van de rouw laat zien. De scènes waarin het nieuws van de dood van Loos’ vrouw zich verspreidt, naar haar vriendin, haar zoon en de rest van de wereld zijn helder en aangrijpend.

Maar wat Lucifer echt fascinerend maakt is, hoe kan het ook anders bij Palmen, wat de auteur ermee probeert te tonen over het schrijverschap. Want eigenlijk is het verhaal heel eenvoudig: vrouw valt dronken in afgrond (dat kan gebeuren), maar haar omgeving kan niet leven met het toeval en zoekt een verklaring. Men ontdekt dat de man op een bepaalde manier voordeel heeft gehad van de dood van zijn vrouw. Dat hij weleens droomde over moord. Dat hij een groot bewonderaar was van Achterberg, de dichter die de vrouw van wie hij hield doodschoot. Het zijn mooie theorieën, het is voer voor moordspeculanten, maar ook niet meer dan dat.

Ook niet voor Connie Palmen. Want zij legt het gros van de speculaties in de mond van schrijvers en andere clubleden die aan haar hun verhaal doen. Daarover schrijft ze tussenzinnen als: ‘„O wat is dit griezelig,” verzuchtte Bibi en hij sloeg van opwinding zijn knieën tegen elkaar’. Een man die zoiets zegt en zich zo gedraagt is geen man om serieus te nemen. Niet voor niets is het laatste woord dat over Loos uitgesproken wordt ‘Onschuldig’. Het is, ook niet toevallig, veruit het redelijkste karakter van de roman, Puck, die dat woord in de mond neemt.

Een paar keer wordt in Lucifer gememoreerd dat het voor een schrijver onmogelijk is het toeval te accepteren. Precies dat is het thema van dit boek. Daarom moeten er verhalen worden uitgevonden, verklaringen worden bedacht. Er moet orde komen, er moet een verhaal gemaakt worden. Dat dat verhaal de waarheid niet weergeeft is precies de bedoeling ervan. Zo zijn het juist de boze reacties die Palmens visie bevestigen.