Een wassen neus

De staat wil 50 miljoen euro bezuinigen op de cultuursector. Kunstinstellingen moeten dat geld terugverdienen door de toegangsprijzen te verhogen. Volgens het kabinet kan dat makkelijk, vooral omdat steeds meer mensen aan cultuur doen.

Uw kaartjes voor het theater zouden binnenkort wel eens 2,5 euro duurder kunnen worden.Dat kan gebeuren als minister Plasterk (Cultuur) het regeringsakkoord uitvoert en 50 miljoen euro bezuiniging oplegt aan de gesubsidieerde kunstsector, onder de noemer van het profijtbeginsel. Het profijtbeginsel houdt in dat de gebruiker betaalt: dus de bezoeker die profiteert van de kunstsubsidie moet meer gaan betalen voor zijn kaartje. De kunstconsument gaat dan de bezuiniging financieren.

Waarom 2,5 euro per kaartje? Dit jaar zouden er zo’n 20 miljoen kaartjes kunnen worden verkocht in de podiumkunsten (theater, muziek, dans). Als de stijgende trend in bezoekersaantallen zich voortzet tenminste: in 1999 waren het er 14 miljoen en 2003 17 miljoen (volgens het CBS). Dat maakt de rekensom eenvoudig. Door 20 miljoen kaartjes 2,5 euro duurder te maken, verdient de sector 50 miljoen terug.

Zo simpel is het natuurlijk niet, maar het geeft een indruk.

Plasterk heeft honderd dagen uitgetrokken om te besluiten wat voor beleid hij gaat voeren en wat hij precies van plan is. Maar, zo liet hij weten, het profijtbeginsel hoeft niet per se alleen op te gaan voor de podiumkunsten. De musea kunnen ook gekort worden. Tussen 1991 en 2001 telde het CBS steeds ruim 20 miljoen bezoekers. Als die ook onderworpen worden aan het profijtregime, dan gaat het om 40 miljoen jaarlijks verkochte kaartjes, die dan allemaal zo’n 1,25 euro duurder moeten worden.

Zo simpel is het nog steeds niet, maar het geeft een idee.

Waarom is het niet zo simpel? Om te beginnen is het profijtbeginsel een wassen neus. Het is een handig opzetje van de regeringspartijen om een bezuiniging ‘profijtbeginsel’ te noemen, maar de minister kan culturele instellingen niet dwingen dat beginsel toe te passen. Een theaterkaartje is geen overheidsproduct, zoals een paspoort, waarvan de overheid zelf de prijs bepaalt. De invloed van een bewindspersoon op de instellingen die hij subsidieert gaat niet zo ver dat hij ze kan dwingen de kaartjes duurder te maken. Instellingen zijn autonoom. Het zou zijn alsof de minister verplicht bepaalde toneelstukken te gaan spelen.

De minister kan alleen meer of minder geld geven.

Op bezuinigingen kunnen instellingen naar eigen goeddunken reageren. Ze kunnen besluiten om kosten te besparen door minder te werken, mensen te ontslaan of goedkoper te werken. Ze kunnen ook proberen op een andere manier meer geld te verdienen, door meer sponsorgeld te werven of meer en duurdere broodjes in het restaurant te verkopen.

Het rekensommetje deugt ook niet. Van die 20 miljoen bezoekers van podiumkunsten gaat zo’n 85 procent naar ongesubsidieerde voorstellingen. Dat betekent dat de prijsstijging door 3 miljoen kaartjes moet worden gedragen. Dan zou elk kaartje 17 euro duurder worden. Reken er 5 miljoen kaartjes voor gesubsidieerde musea bij: dan is de vereiste toeslag 6 euro per stuk.

Kortom, deze sommen

geven aan hoe ingewikkeld het wordt als iemand zegt dat de gebruiker moet betalen.

„Invoering van het profijtbeginsel heeft geen zin”, zegt kunsteconoom Pim van Klink dan ook, om genoemde redenen. Van Klink was jarenlang ambtenaar kunst op het ministerie en maakte in de jaren tachtig, namens WVC, deel uit van de eerste Werkgroep Profijtbeginsel, opgezet door het ministerie van Financiën. „We kwamen toen al unaniem tot de conclusie dat prijsverhogingen minimale effecten zouden hebben op de inkomsten. Extra opbrengsten zoals nu worden voorgespiegeld zijn totaal niet aan de orde.”

Van Klink ziet wel wat in de eerste reactie van minister Plasterk, om creatiever om te gaan met prijzen. „In het buitenland heb je bijvoorbeeld veel last-minute aanbiedingen. Schouwburgen bieden met abonnementen vaak kortingen, maar als kaartjes schaars zijn en het publiek graag lang van tevoren zeker wil zijn van toegang, dan kan je er aan denken om abonnementen juist duurder te laten zijn dan reguliere kaartjes.”

De mogelijkheid om te variëren in prijzen, maakt dat kunsteconoom Arjo Klamer „op zich weinig tegen” heeft op het profijtbeginsel. „Voor mensen met een laag inkomen kun je vouchers en kortingspassen bedenken.

Volgens de Rotterdamse hoogleraar is het een mentaliteitskwestie: „De Nederlandse kunstsector beweert dat het niveau hier zo hoog is. Dan mag het ook wat kosten.” De frictie zit wat hem betreft in het feit dat het publiek zich het niveau niet bewust is. Hij sluit zich dan ook aan bij het pleidooi van de Raad voor Cultuur, die inzet op de vorming van Culturele Burgers: burgers die geïnformeerd en betrokken zijn. Daar ligt de echte taak voor culturele instellingen.

In de opvatting van Klamer is invoering van het profijtbeginsel „een verkeerd plan”. „Het grote probleem is dat men in de kunst blijft steken op het dualisme van overheid versus markt. Er is ook een derde optie, waar Medy van der Laan, de vorige staatssecretaris Cultuur, wel aan gewerkt heeft: het bevorderen van een klimaat van donaties, mecenaat en betrokkenheid.”

Vooralsnog is een bezuiniging

vanwege de invoering van het profijtbeginsel zuiver hypothetisch. Wel vaker beginnen bewindspersonen met ‘plussen en minnen’, met ‘meer ruimte voor beleid’ én ‘besparingen’. Minister Plasterk heeft een min van 50 miljoen. Let wel: pas over vier jaar, structureel vanaf 2011. Voor 2008 staat 15 miljoen, oplopend via 20 naar 25 miljoen in 2010. En hij heeft een plus van 100 miljoen voor monumenten en cultuur. Let wel: ook dit structureel vanaf 2011 – van 25 miljoen in 2008, oplopend via 50 en 75 miljoen in 2010. Over hoe die plussen en minnen moeten worden besteed, ligt niets vast. Alleen de monumenten worden met name als begunstigde genoemd, maar hoeveel extra geld zij krijgen is niet vastgelegd.

Toch schreef voormalig topambtenaar Jan Riezenkamp schreef in deze krant al een alarmerend opiniestuk, waarin hij alleen de bezuinigingen opsomde. En daarbij van de algemene korting op ‘subsidies’ van 250 miljoen ook een deel bij die op kunst optelde. Uitgaande van een subsidie van 200 miljoen voor podiumkunsten en een bezuiniging van 50 miljoen, concludeerde hij dat podiuminstellingen „de slachtoffers” waren van 25 procent bezuiniging.

Met hetzelfde ongerijmde aplomb kun je berekenen dat de kunst meer geld gaat krijgen. In de cultuurparagraaf van het regeerakkoord wordt weliswaar alleen gesproken over cultuureducatie, amateurkunst en volkskunst, maar niets let Plasterk om (bijvoorbeeld) 25 miljoen euro aan monumentenzorg te besteden, 50 miljoen weg te strepen en dan toch met 25 miljoen extra voor avant-gardekunst zich tot de nieuwe gulle voorvechter van de kunst te laten kronen.

Een interessante kwestie

is de ideologie achter het profijtbeginsel. Gaat het wel om geld? In eerste instantie lijkt het te gaan om een oud sentiment. „Hoger opgeleiden moeten zelf maar hoge prijzen betalen voor hun hoge kunst”, zoals Van Klink die opvatting formuleert. „Maar de combinatie hoog opgeleid en hoog inkomen is al lang niet meer vanzelfsprekend.”

Maar de trend is al decennia dat politici uit alle macht proberen om de kunst verantwoord en efficiënt met subsidiegelden om te laten gaan. Minder geld geven geldt als een goede prikkel om instellingen bewust te maken van de vraag van de consument.

Het was Elco Brinkman, die begin jaren tachtig als de minister van Cultuur hardop ijverde voor zakelijkheid en efficiency én voor het aanspreken van een breder publiek. Die twee doelen zijn onlosmakelijk met elkaar verweven. Dat stelden onderzoekers van het Sociaal-Cultureel Planbureau twee jaar geleden ook vast in hun rapport Cultuurminnaars en cultuurmijders met betrekking tot musea: „De accentverschuiving richting marktgericht denken was van overheidswege geen doel op zich, maar was bedoeld als prikkel om musea ertoe aan te zetten zich meer op de wensen van de bevolking te richten.”

Brinkman effende de weg voor Hedy d’Ancona, de minister van Cultuur die in 1992 invoerde dat culturele instellingen 15 procent van hun inkomsten zelf moesten verwerven. Dat lukte. De inkomsten van musea uit entreegelden, sponsorgelden, restaurants en museumwinkels bedroegen in 2001 „drie keer die in 1990”, vonden de SCP-onderzoekers. Eén van hen, Andries van den Broek, noemt het profijtbeginsel dan ook een U-bochtconstructie. Het beginsel schraagt geen financieel doel op zich, maar is een middel is om andere „cultureel-politieke doelen te verwezenlijken, met name verbreding van het publiek”.

Maar zo simpel is het niet. Helaas voor politici werkt deze U-bocht niet. Over de effecten van prijsverhogingen bestaat geen recent onderzoek, maar de heersende opvatting is dat er in de cultuursector vooral om aandacht wordt gestreden, zegt Van den Broek. „Dan komt er een poos niks en dan pas de portemonnee.”

De prijs van een kaartje is geen machtsmiddel in de kunst, beaamt Van Klink. „Ja, het gaat om aandacht, maar ook om culturele competentie. Zelfs als je de prijs heel erg laat zakken, komen mensen zonder die competentie toch niet, is gebleken.” Op het gebied van aandacht van het publiek trekken is nog veel te winnen, denkt hij. „Ik heb bijvoorbeeld veel bewondering voor Toneelgroep Amsterdam, dat onder Ivo van Hove zeer strategisch jongeren benadert, met marketing, logo, op Lowlands optreden, repertoirekeuze en een alliantie met de Melkweg.”

Als culturele instellingen zich meer rekenschap moeten geven van de noodzaak het publiek aan zich te binden, kan Plasterk beter D’Ancona volgen, zeggen Klamer en Van Klink. Verhoog het percentage aan eigen inkomsten, is hun boodschap. „Tot 25 procent moet mogelijk zijn”, aldus Van Klink. „Makkelijk”, stelt Klamer.

Van den Broeks eigen onderzoek naar concurrentie op de vrijetijdsmarkt, waar kunst zich ook op beweegt, wijst uit dat de klant het steeds normaler vindt om voor vrije tijd te betalen. Die bevinding beantwoordt ook de vraag of het profijtbeginsel strijdig is met het sociaal-democratische idee dat kunst voldoende toegankelijk moet zijn voor lagere inkomensgroepen. Daarbij: „Populaire cultuur, zoals musicals en popconcerten, werkt ook marktconform, met vaak flinke prijzen. In vergelijking daarmee is het moeilijk om bijvoorbeeld musea ‘duur’ te noemen.”

De vraag of de vereiste aandacht de wens van het publiek leidt tot vervlakking in de kunst, kan Van den Broek niet beantwoorden. Maar, zegt hij, „publieksvriendelijk kan ook zijn: meer service, meer comfort en beter onder de aandacht van het publiek brengen.” Zoals Klamer zegt: „De kunst moet zijn zegeningen tonen. Opdat de burger, die in Nederland almaar rijker wordt, ook beseft dat hij zijn geld niet alleen aan boten en auto’s moet uitgeven.”

Dat een liberaal principe

als het profijtbeginsel in het regeerakkoord terecht is gekomen, zou goed de invloed kunnen zijn van Jacques Tichelaar, de PvdA-onderhandelaar bij de formatiebesprekingen. Vijftien jaar geleden verkondigde de toenmalige PvdA-voorzitter Felix Rottenberg nog dat het profijtbeginsel niet paste in de sociaal-democratie. Tot 2003 zei Kamerlid Tichelaar hem dat na, maar een jaar later verraste hij vriend en vijand met een historische ommezwaai. In een opiniestuk schreef Tichelaar: „De doorsnee Nederlander die zelf nooit gestudeerd heeft, betaalt via de belastingen fors mee aan een voorziening waar vooral mensen van profiteren die het dankzij hun studie toch al goed krijgen. Bij het hoger onderwijs mag het profijtbeginsel sterker in acht wordt genomen.”

Tichelaar verdedigde de nieuwe opstelling van de PvdA in deze krant met de woorden: „Mogen we niet nadenken? We willen het debat openen, en ja, dan moet je soms een standpunt wijzigen.”

Het is 22 dagen geleden dat het nieuwe kabinet van start ging, dus minister Plasterk heeft nog 78 dagen om daar over na te denken.

Voor dit artikel werd o.m. geput uit: ‘Cultuurminnaars en cultuurmijders; Trends in de belangstelling voor kunsten en cultureel erfgoed’. SCP, 2005. Roel Pots: ‘Cultuurkoningen en democraten; Overheid en cultuur in Nederland. Uitgeverij SUN, 2000.