Een dronken roes van duizend dagen

Chinese verhalen uit Dunhuang. Vertaald en toegelicht door W.L. Idema. Atlas, 254 blz. €19,90

Wanneer de versmade echtgenote van een koning tegen haar concurrente zegt dat de koning haar neus te groot vindt, bedekt de concubine vanaf dan steeds haar neus in zijn gezelschap. De koning vraagt zijn echtgenote naar de reden. Haar antwoord: ‘Ze vindt het lichaam van Uwe Majesteit stinken’. En terstond wordt de neus van de concubine afgehakt.

Deze gruwelijke en tegelijkertijd vermakelijke anekdote is te lezen in Chinese Verhalen uit Dunhuang, vertaald door de sinoloog W.L. Idema, eerder verantwoordelijk voor de Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, waarvoor hij in 1992 de Martinus Nijhoffprijs kreeg. Deze bloemlezing verzameling populaire volksverhalen is echter iets heel anders.

Dunhuang is bekend van de honderden eeuwenoude beschilderde meditatiegrotten in een steile rotswand. De stad, strategisch gelegen op de Zijderoute in het westen van China, groeide vanaf de tweede eeuw voor Christus langzaam uit tot een cultureel kruispunt. Dunhuang ontwikkelde zich tot een centrum voor de studie van het confucianisme en speelde het een belangrijke rol in de verspreiding van het boeddhisme vanuit India naar China.

Een weerslag van die multiculturele samenleving bieden de 50.000 manuscripten uit de 5de tot en met de 10de eeuw (waaronder de oudste gedrukte boeken ter wereld) en honderden schilderijen, die net na het jaar 1000 door een boeddhistisch klooster in een van de grotten werden ingegraven. Pas in 1900 werd de bibliotheek, waarvan de toegang was dichtgemetseld en beschilderd, bij toeval ontdekt.

Het grootste deel van de gevonden manuscripten betreft uiteraard het boeddhisme, en uit die teksten heeft Idema in 2004 een selectie gepubliceerd in Boeddha, hemel en hel. Boeddhistische verhalen uit Dunhuang. Maar er zijn ook teksten over het christendom en andere religies gevonden, en veel teksten die de centrale Chinese traditie weerspiegelen. Kloosters fungeerden destijds ook als scholen en zodoende bevond zich in de bibliotheek een mengeling van filosofische klassieken, verhalen, regeringsdocumenten, contracten, poëzie enzovoorts, die samen een kijkje bieden in het toenmalige dagelijkse leven van hoog tot laag.

Van deze laatste teksten heeft Idema nu een keuze bijeengebracht. Sommige van die verhalen zijn in China algemeen bekend, zij het in andere vormen, zoals over de legendarische keizer Shun die zo piëteitsvol was tegenover zijn ouders dat de heersende keizer hem zijn twee dochters en het bestuur van het rijk schonk; of over de vrouw Meng Jiangnü die door haar tranen om de dood van haar echtgenoot de Grote Muur deed instorten zodat ze zijn overblijfselen vond en mee naar huis kon nemen.

In het laatste deel zijn veel korte verhalen opgenomen met opmerkelijke titels als: ‘De man die zijn moeders zweren uitzoog’, ‘Een dronken roes van duizend dagen’ en ‘De koning die een bloedzuiger opat’. Hierin draait het juist om onbekende koningen en edelen, die overigens wel bijna allemaal een naam hebben. En het feit dat hun wederwaardigheden zijn opgetekend, impliceerde dat ze echt gebeurd waren – hoe onwaarschijnlijk de vele wonderbaarlijkheden ons ook voorkomen.

Wie de verhalen nu leest zal ze vooral intrigerend en onderhoudend vinden, maar toch hebben de meeste vooral een les te leren, aan het volk dat deugd moest worden bijgebracht, maar ook aan de koningen: ‘Het volk is wortel van de staat, bewijs het zorg en weldaad / Want als de wortel stevig is, heerst vrede in het land’. Het marxisme blijkt in de Chinese klassieken een stevige basis te hebben gehad.

Gezien die wijze lessen is het niet verwonderlijk dat de meeste personen goed terechtkomen. Ondanks zware tegenslagen volharden ze in hun deugdelijkheid en rechtschapenheid, om daarvoor uiteindelijk te worden beloond.