‘De wat?’

Was er in Europa een wegwerpaanstekerprobleem?

Ja. Dus moest er een beschikking komen.

En dan liefst meteen voor de hele Europese Unie.

Schaterlach aan de andere kant van de lijn. „De wat?”

De vraag ging over de nieuwe, Europese regeling om kinderveilige wegwerpaanstekers te verplichten. Was er iemand op het Haagse ministerie die daar iets meer over kon vertellen? Pas toen de secretaresse ervan overtuigd was dat het geen grap betrof, ging zij op zoek.

Europa beslist en beschikt, elke dag weer. Over grensoverschrijdende fusies, over terrorismebestrijding én over wegwerpaanstekers.

Sinds deze week mogen fabrikanten in de Europese Unie, van Lissabon tot Helsinki en van Dublin tot Tallinn, alleen nog wegwerpaanstekers op de markt brengen die voldoen aan de nieuwe kinderveiligheidseisen. Over een jaar is de ban compleet. Dan mag ook de detailhandel alleen nog kinderveilige aanstekers verkopen.

De door de EU goedgekeurde wegwerpaansteker vergt iets meer kracht om een vlam te maken. Het is een aansteker die de test van een kinderpanel heeft doorstaan. In de woorden van lid 3 van artikel 1 van de in alle 23 talen van de Europese Unie verkrijgbare beschikking:

„Een aansteker die op een zodanige wijze is ontworpen en geproduceerd dat deze onder normale en redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden niet kan worden gebruikt door kinderen jonger dan 51 maanden, bijvoorbeeld vanwege de kracht die nodig is om hem te bedienen vanwege het ontwerp of de bescherming van zijn ontstekingsmechanisme of de complexiteit van de achtereenvolgende handelingen die voor de ontsteking nodig zijn.”

Doorgeschoten Brusselse bemoeizucht of de werkelijkheid van alledag?

De beschikking is de Europese Unie ten voeten uit: een combinatie van goede bedoelingen, met onnavolgbare regelgeving als resultaat. En dat komt weer door de wetten van de interne markt, die hun eigen logica hebben, en onwetendheid bij de politici uit de lidstaten over wat er mede namens hen is afgesproken.

Neem Nederland. Begin vorig jaar werd CDA-Kamerlid Ger Koopmans door een kennis geattendeerd op de plannen voor kinderveilige wegwerpaanstekers. „Dat kan toch niet waar zijn, dacht ik”, zegt Koopmans nu.

Hij stelde de zaak aan de orde tijdens een overleg met (toenmalig) minister Gerrit Zalm. Was het waar dat de Europese Commissie kindersloten op wegwerpaanstekers verplicht wilde stellen? „Komt er dan ook een kinderslot op luciferdoosjes?”, vroeg Koopmans.

Zalm stelde het verontwaardigde Kamerlid gerust. „Een kinderslot op een aansteker ligt niet voor de hand”, zei hij. Zalm zat ernaast. In werkelijkheid was de beschikking drie weken eerder al afgekondigd.

Waar het allemaal mee begint, is de vraag of er een wegwerpaanstekerprobleem is.

En ja, dat is er, aldus Markos Kyprianou, Europees Commissaris voor Volksgezondheid en Consumentenaangelegenheden, begin vorig jaar. Gemiddeld 34 tot 40 mensen, hoofdzakelijk kinderen, sterven jaarlijks als gevolg van branden door kinderen die met onveilige aanstekers spelen, zei Kyprianou op een persconferentie in Brussel.

Die cijfers zijn omstreden. Bart van Geenen bijvoorbeeld, international brandmanager van het in Valkenswaard gevestigde Swedish Match, nam er vorig jaar met verbazing kennis van. Swedish Match is één van de drie grote producenten in Europa van wegwerpaanstekers.

Van Geenen had nog nooit gehoord over branden of doden door met aanstekers spelende kinderen. „De cijfers uit één land, Groot-Brittannië, zijn geëxtrapoleerd”, zegt hij.

Ook volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn de cijfers verre van alarmerend. In de periode 1990-1995 viel in Nederland één dode per vier jaar als gevolg van kinderen die met vuur hadden gespeeld. In de jaren daarna was sprake van een verdere daling.

Maar Eurocommissaris Kyprianou had zijn misstand. Hij verwees naar de Verenigde Staten, waar de kinderveilige aanstekers al sinds 1994 zijn voorgeschreven. Met gevoel voor dramatiek riep hij de lidstaten op zijn plan te steunen. „Voor niet meer dan vier cent per aansteker kan het leven van een kind worden gered. Is dat te veel gevraagd?”, aldus Kyprianou.

Dus komt er nu een kinderveiligheidstest voor aanstekers, om te zien of een wegwerpaansteker al dan niet aan de nieuwe eisen voldoet. Testpanels van honderd kinderen (ten hoogste vier jaar en drie maanden oud) moeten in twee pogingen de aansteker zien aan te krijgen. Na vijf minuten wordt de test herhaald.

De aanstekers moeten bovendien op vijf verschillende plaatsen uitgeprobeerd worden. Lukt het in ten minste 85 procent van de gevallen niet de aansteker aan te krijgen, dán is de aansteker kinderveilig. De tests worden niet met echte aanstekers uitgevoerd, maar met surrogaatproducten. In plaats van een vlam gaat daarbij een lichtje branden of klinkt een geluidssignaal.

Schrijftafelwijsheid, oordelen critici, die ook nog eens maar in zeer beperkte mate bijdraagt aan brandpreventie. CDA-Kamerlid Ger Koopmans: „Wat gaan we straks doen met brandende kaarsen? Je kan wel voor alles beschikkingen gaan maken. Het is symboolpolitiek.”

Los daarvan: áls er iets geregeld moet worden, waarom moet Brussel dat dan doen? Waarom wordt het niet overgelaten aan de afzonderlijke lidstaten?

Dat waren ook de vragen die Tweede-Kamerlid Harry van Bommel van de Socialistische Partij vorig jaar stelde aan minister Hoogervorst van Volksgezondheid. Hoogervorst antwoordde dat een door de EU opgelegde regeling in dit geval gerechtvaardigd was: de lidstaten konden het onderling niet eens worden.

Voor Nederland bijvoorbeeld, had wetgeving helemaal niet gehoeven. Nederland zag geen probleem. Andere lidstaten vreesden voor neveneffecten: konden bejaarden of gehandicapten straks wel overweg met de lastiger te bedienen, kindervriendelijke aansteker? Tenslotte waren er nog landen die ethische bezwaren hadden tegen het inzetten van jonge kinderen om de aanstekers te testen.

De verdeeldheid tussen de lidstaten was een extra argument voor Brusselse regelgeving. Maar dan vanwege interne marktoverwegingen. Die zeggen namelijk dat de regels voor bedrijven in de verschillende lidstaten zoveel mogelijk dezelfde moeten zijn, om concurrentievervalsing te voorkomen. Ook volgens minister Hoogervorst zou het ontbreken van Europese regeling leiden tot „een ongelijk niveau van bescherming en tot handelsbelemmeringen tussen de lidstaten voor aanstekers”.

En daarin wordt hij wél bijgevallen door de industrie. Als het moet willen de fabrikanten best kindervriendelijke aanstekers produceren, maar dan wel op voorwaarde dat iedereen dat moet doen. „Het speelveld moet gelijk zijn”, zegt Bart van Geenen van Swedish Match. „Als alle EU-landen hun eigen regeling gaan maken, wordt het een rotzooi.”

Dan zouden in China geproduceerde, niet-kinderveilige aanstekers via sommige lidstaten alsnog op de Europese markt kunnen komen. Aangezien die aanstekers net iets makkelijker in het gebruik zijn, kan dat ten koste gaan van het marktaandeel van Europese bedrijven.

Zo was het uiteindelijk de interne markt die de wegwerpaanstekerregeling bedong. In vrijwel alle lidstaten werd de beschikking zonder parlementaire bemoeienis in wetgeving verwerkt. Alleen de Duitse Bondsraad (aangespoord door Beieren) stemde tegen, maar die zal later deze maand naar verwachting alsnog instemmen.

En de industrie? Die heeft de productielijnen aangepast. Dat wil zeggen: voor de Europese Unie. De ouderwetse wegwerpaanstekers gaan in het vervolg naar een nieuwe groeimarkt: Rusland.