De risicoburger

Het nadeel van angstige tijden is dat Kamerleden onvoldoende kritisch durven zijn. Ze geven snel vertrouwen aan symbolische wetsvoorstellen die de macht van de staat over het leven van het individu permanent uitbreiden. Ze laten zich sussen met de belofte dat gevraagde extra bevoegdheden op ‘minder dan tien’ personen betrekking zullen hebben. Met als impliciete geruststelling: waar hebben we het over? Terwijl de vraag zou moeten zijn: maar waarom moet het dan voor iedereen en voor altijd gelden? Veel Kamerleden vragen zich onvoldoende af of de vage definities en criteria die de macht van het bestuur reguleren, wel betekenis hebben of de tijd zullen weerstaan. Veiligheidsobsessie en repressie-enthousiasme – een enkele fractie uitgezonderd, zijn Tweede Kamer en kabinet er hecht door verenigd.

Deze week haalde de staat met weinig moeite nieuwe machtsmiddelen binnen. Burgers tegen wie bepaalde bezwaren bestaan, kunnen van de minister van Binnenlandse Zaken een verbod krijgen om in de nabijheid van zekere personen te komen of bepaalde gebieden te bezoeken. Ook een meldingsplicht op het politiebureau kan worden opgelegd.

Hoewel zo’n bestuurlijke maatregel twee jaar mag duren, noemt het kabinet het geen straf maar preventie. Een onderscheid voor fijnproevers. De maatregel raakt personen die niets hebben gedaan, evenmin feitelijk iets voorbereiden maar van wie de AIVD denkt dat ze dat toch willen. De maatregel kan ook personen treffen die door de strafrechter zijn vrijgesproken, maar wier bedoelingen de overheid toch niet vertrouwt, zo bevestigde minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA). De wet eist slechts ‘gedragingen’ die ‘in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan’. Daarbij moet de nationale veiligheid in het geding zijn. Een nieuw fenomeen: geen verdachte burger van strafbare handelingen, maar een risicoburger met ‘gedragingen’.

In het debat voegde de regering er nog de eis een ‘patroon’ van gedrag aan toe. De risicoburger moet ‘echt iets in de zin hebben’. Dat moet voor de rechter controleerbaar kunnen worden onderbouwd door informatie van overheidsdiensten. Op zich zijn dat geruststellende verscherpingen van de wettelijke definitie. Al was het maar omdat de grens tussen strafbare voorbereidingshandelingen en het bestuursrechtelijke ‘echt iets in de zin hebben’ zó fijn is dat die ook met het juridische oog ternauwernood waarneembaar is.

Vage definities maken van een wet een gevaarlijk wapen. Het begrip nationale veiligheid bleek de Tweede Kamer al te verwarren. De meeste fracties en het kabinet dachten aan bomaanslagen en de Hofstadgroep. Maar het CDA bleek van mening dat acties van dierenbevrijders ook de nationale veiligheid bedreigen. Daarmee werd het belangrijkste risico voor de vrijheden van de burger al duidelijk voordat de wet is aangenomen. ‘Gedragingen’ die een ‘verband’ hebben met of ‘steun bieden’ aan ‘terroristische activiteiten’ zijn conjunctureel bepaald en kunnen politiek worden ingevuld. Als een dergelijke riskante wet al nodig en nuttig is, dan dient de Kamer die ten minste tijdelijk of eindig te maken. De vrijheid van de burger om te gaan en staan waar men wil en te denken en te geloven wat men belieft, is daarvoor te kostbaar.