De illusie van de terugkeer

Een jonge Britse econoom houdt een gloedvol pleidooi voor de noodzaak van immigratie voor Europa. Maar die economische blik is eenzijdig.

Philippe Legrain: Immigrants. Your Country Needs Them.Little Brown, 374 blz. € 22,99

Er is een onverklaarde oorlog tegen migranten gaande aan onze grenzen, die jaarlijks vele slachtoffers tot gevolg heeft. Alleen al in het laatste decennium zijn duizenden mensen omgekomen bij pogingen om Amerika te bereiken via de Mexicaanse grens of Europa via de Middellandse Zee. Dat de mensen uit de rijkere landen vrijelijk over de wereld kunnen zwermen, terwijl de mensen uit de armere delen van de wereld zoveel mogelijk binnen hun eigen grenzen gevangen worden gehouden is een vorm van globale apartheid, die niet is vol te houden. Deze onverklaarde oorlog is niet alleen wreed maar ook economisch kortzichtig.

Dat is kort gezegd de conclusie van Immigrants van Philippe Legrain, een jonge Britse econoom, kind van een Lets-Amerikaanse moeder en Franse vader, die zich al eerder met zijn boek Open World. The Truth about Globalisation heeft laten kennen als een overtuigde aanhanger van de wereldwijde vrije markt. In dit nieuwe boek gaat hij nader in op de kosten en baten van immigratie en het moet gezegd dat zijn pleidooi voor open grenzen zeer aanstekelijk werkt. Met veel vaart ondermijnt Legrain vele klassieke bezwaren tegen immigratie, zoals het idee dat migranten de banen van de lokale bevolking zouden wegnemen.

Eerst enkele kerngegevens over de hedendaagse migratiestromen. Naar de Verenigde Staten migreren elk jaar zo’n miljoen mensen legaal en nog eens een half miljoen illegaal. Europa ontvangt elk jaar 2.8 miljoen legale migranten en volgens sommige schattingen nog eens 800.000 illegale migranten. Deze cijfers maken inzichtelijk dat het hedendaagse Europa qua omvang van de migratie niet onder doet voor Amerika, en alles bijeen meer open is dan Legrain suggereert.

Op het totaal van de wereldbevolking is de migratie tussen 1970 en 2000 niet spectaculair gestegen: van 82 naar 175 miljoen mensen per jaar, dat wil zeggen van 2,2 naar 2,9 procent van de wereldbevolking. Maar in de rijkere landen is dat percentage in dezelfde periode ongeveer verdubbeld, van 4,3 naar 8,3 procent. Bovendien is het aandeel van de immigratie in de totale bevolkingsgroei van de rijkere landen enorm toegenomen: van eenachtste naar tweederde. In Europa zou de bevolking nu al krimpen, zonder de komst van migranten. Het samengaan van vergrijzing en verkleuring geeft aan het migratievraagstuk een enorme lading in de publieke meningsvorming.

Na de moeizame geschiedenis van de gastarbeid is weer langzaam een nieuw pleidooi te horen om opnieuw laaggeschoolde arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie te gaan halen. Nu wordt nog vooral gepleit voor het toelaten van hooggeschoolde migranten, zoals in een recent SER-advies, maar tegelijk wordt in een kantlijn gesproken over laaggeschoolde arbeidsmigratie die kan ‘mee-ademen met eventuele tijdelijke arbeidsknelpunten als gevolg van vergrijzing’. Het is een veilige voorspelling dat over twee tot drie jaar zulke pleidooien alom gehoord zullen worden.

Het boek van Legrain gaat helemaal deze richting op en is dan ook verplichte lectuur voor een ieder die zich op deze komende discussie wil voorbereiden. Hij eindigt met de hartenkreet ‘Let Them In’ en met de hoop op een monsterverbond van rechtse aanhangers van de vrije markt en een linkse pleitbezorgers van het internationalisme. Op zichzelf is dat minder vreemd dan het lijkt. Het is duidelijk dat de globalisering de traditionele scheidslijnen in de politiek door elkaar heeft gegooid, zeker in het debat over de migratie. De behoefte aan plooibare, laaggeschoolde arbeidskrachten kan gemakkelijk hand in hand gaan met meer humanitaire argumenten voor een open houding in het Noorden ten opzichte van het Zuiden.

Laten we om te beginnen kijken naar de morele afweging. Legrain heeft het gelijk aan zijn kant wanneer hij vaststelt dat vrijere migratiebewegingen bijdragen aan de ontwikkeling van het armere deel van de wereld. Niet alleen hebben de migranten er baat bij, maar het geld dat zij overmaken naar familie in het land van herkomst is een belangrijke brom van inkomsten. Deze zogenaamde ‘remittances’ hebben een omvang gekregen die de officiële ontwikkelingshulp verre overtreft.

Maar er is ook een schaduwkant aan de migratie als een vorm van toegepaste ontwikkelingshulp, namelijk de brain-drain; het wegvloeien van goed opgeleide mensen in het land van herkomst. Legrain ziet dat niet zo somber in, maar stelt wel vast dat een land als Ghana met zes artsen per 100.000 mensen dertig procent van zijn dokters heeft verloren aan landen als Amerika en Canada, die meer dan 220 artsen op hetzelfde aantal mensen hebben. De morele winst- en verlies rekening is dus niet zo eenvoudig als Legrain het voorstelt.

Daar komt nog bij dat de eventuele bijdrage aan de ontwikkeling die migratie kan leveren uiteindelijk afhangt van de mate waarin de economieën van de rijkere landen ook daadwerkelijk migranten kunnen gebruiken. Wanneer er geen werk voor ze is dan draagt hun komst ook niets bij aan de ontwikkeling in de landen van herkomst. Het antwoord op deze vraag vormt het hart van Legrains boek.

Hij laat zien dat de immigratie er toe kan bijdragen dat de vergrijzing iets minder hard toeslaat, maar geen werkelijke oplossing kan bieden. De aantallen migranten die nodig zijn om de verhouding van de beroepsbevolking en de ouderen op hetzelfde niveau te houden als nu zijn exorbitant. Om dat te bereiken heeft een land als Italië jaarlijks 2,2 miljoen migranten nodig, Frankrijk 1,9 miljoen en de Europese Unie als geheel 12.7 miljoen.

Iedereen is het er wel over eens dat het belangrijk is om goed geschoolde migranten aan te trekken en dat Europa daarin zeer tekort schiet. De echte controverse gaat vooral over laagopgeleide migranten. Legrain stelt terecht dat ook in de kenniseconomie een aanmerkelijk deel van de arbeidsmarkt nog steeds blijft bestaan uit laaggekwalificeerd werk. Voor Groot-Brittannië komt hij op een kwart van de banen uit. Maar Legrain gaat voorbij aan de relatief hoge jeugdwerkloosheid onder de huidige kinderen van migranten, en ook aan het potentieel van zulke arbeidskrachten dat aanwezig is in de nieuwe landen van de Europese Unie, zoals Polen en straks wellicht Turkije.

Het is volgens Legrain duidelijk dat tijdelijke migratie van laaggeschoolde arbeidsmigranten voor de ontvangende landen de beste oplossing is, maar of de betrokken migranten zich daarin willen schikken is twijfelachtig. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over seizoenmigratie en over ‘circulaire migratie’, maar of zulke schema’s nu meer realiteitsgehalte hebben dan in de tijd van de eerste gastarbeiders valt helemaal te bezien. Zeker, er kan strenger worden gewaakt over terugkeer – door bijvoorbeeld een deel van het salaris pas bij daadwerkelijke terugkeer uit te betalen – maar de belangen van de migrant om te blijven zouden ondanks dit soort maatregelen wel eens zwaarder kunnen wegen.

Legrain veronderstelt te gemakkelijk dat migranten eigenlijk allemaal terugwillen. Hij citeert de beroemde uitspraak van Max Frisch dat de Europese landen gastarbeiders als arbeidskrachten wilden, maar mensen kregen. De werkelijke betekenis van deze woorden laat hij als econoom te weinig tot zich doordringen. Hij onderschat dat migranten wortel schieten in de nieuwe samenleving en daar een eigen familiegeschiedenis opbouwen, die de terugkeer tot een illusie maakt.

Bovendien gaan de economische kosten en baten niet louter over de arbeidsmigranten zelf. Het is een bekend gegeven dat de arbeidsparticipatie van de eerste generatie immigranten aanvankelijk hoog ligt, maar dat gaandeweg het aandeel van vrouwen, kinderen en ouderen in deze gemeenschap toeneemt en dus het aantal werkenden verhoudingsgewijs afneemt. Kijk naar de Turkse gemeenschap in Duitsland: terwijl in 1961 niet minder dan 80 procent van de Turkse migranten werkten, is de deelneming van de Turkse migranten aan het arbeidsproces in de jaren tachtig en negentig gedaald tot onder de 40 procent.

Legrain gaat in het laatste deel van zijn boek in op de problematiek van integratie. Het is duidelijk dat zijn affiniteit meer bij de economie ligt en minder bij de culturele kant van het onderwerp. De gezinsproblematiek en vooral de vaak moeizame socialisatie van de tweede generatie, de kinderen van de oorspronkelijke migranten, bespreekt hij onvoldoende. Terwijl daar belangrijke problemen liggen, die ook bij economische afwegingen van de waarde van de migratie moet worden betrokken.

Het belang van Legrains boek ligt vooral in de nuchtere economische beschouwing. Daarbij ziet hij allereerst de onontbeerlijke bijdrage van migranten aan de toekomstige welvaart van de westerse wereld en aan die van de landen van herkomst. In dit boek zijn alle argumenten terug te vinden die de komende coalitie voor omvangrijke laaggeschoolde migratie zal gaan gebruiken.

Het is helemaal niet uitgesloten dat een monsterverbond van vrije markt-liberalen en zaakwaarnemers van de Derde Wereld in dit debat aan het langste eind zal trekken. Maar de reductie van de migrant tot zijn arbeid, laat ook meteen de zwakte van de economische benadering van migratie zien. Migranten zijn niet louter arbeiders, maar ook vaders, echtgenoten en hopelijk burgers. De vele vragen die hun integratie oproept, maken het pleidooi voor open grenzen tot veel meer dan een economische verlies- en winstrekening.