De erven Márquez

Voor de nu 80-jarige Gabriel García Márquez en zijn generatiegenoten was Europa het culturele baken. Voor hun opvolgers is het Noord-Amerika. En dat heeft gevolgen voor de literatuur.

In de wereld van Macondo, waar García Márquez’ meesterwerk Honderd jaar eenzaamheid zich afspeelt, liggen de Verenigde Staten ver achter de horizon. De vervlogen rijkdom ervan moet ooit te danken geweest zijn aan de United Fruit Company, zoals dat ook het geval was in Aracataca, het geboortedorp van García Márquez dat de inwoners op de valreep toch maar niet tot ‘Macondo’ besloten om te dopen. Hier en daar zijn er nog sporen van te vinden, zowel in het boek als in de werkelijkheid. Maar als er in Macondo uit de roman ooit iets doordringt vanuit de buitenwereld, dan is het uit Europa: Parijs, Brussel, Rome. Daarheen gaan de welgestelden van de stad op reis, soms om er langdurig te blijven, zoals ook García Márquez gedaan heeft.

Wat gold voor hem, gold voor veel Latijns-Aamerikaanse schrijvers van zijn generatie die verantwoordelijk waren voor de ‘boom’ van dat literaire werelddeel in de jaren zestig. Julio Cortázar woonde in Parijs, Mario Vargas Llosa ging daarnaartoe en kwam later terecht in Londen en Madrid, Jorge Luis Borges verkoos ervoor te sterven en begraven te worden in Genève, waar hij een deel van zijn jeugd had doorgebracht. Europa – en daarbinnen in het bijzonder Frankrijk – vormde de focus van hun nieuwsgierigheid, ook op literair vlak.

Wanneer Vargas Llosa, eenmaal beroemd geworden, schrijft over de leeservaringen die hem tot schrijver hebben gemaakt, kiest hij Flauberts Madame Bovary als voorbeeld. Het postmodernisme avant la lettre van Cortázar en Borges is één lang handgemeen met de Europese literaire en Bildungs-traditie en ze begonnen hun mondiale zegetocht pas toen ze in Frankrijk waren ontdekt. En zelfs wanneer García Márquez de Amerikanen Faulkner en Hemingway onder zijn grote voorbeelden noemt, zijn dat niet toevallig schrijvers die juist in Frankrijk al heel vroeg met open armen werden ontvangen.

Een schrijversgeneratie later is er van die Europese fascinatie in Latijns-Amerika niets meer te merken. Nu zijn het de VS die trekken, als verblijfplaats én als literaire inspiratiebron. De Colombiaanse auteur Jorge Franco mag dan nog naar Londen gaan om filmregie te studeren, Paradijsvogels – de eerste roman die van hem in het Nederlands werd vertaald – gaat over een jongen en een meisje die ervan dromen te emigreren naar Amerika. Dat lukt hen, maar daarna beginnen de problemen pas goed, en in een nachtmerrie-achtige hellevaart moeten zij ontdekken wat het bestaan van illegale aliens in het land van beloften werkelijk betekent.

Ironisch genoeg was het diezelfde Jorge Franco die door García Márquez werd aangewezen als ‘een van de jonge Colombiaanse auteurs aan wie ik mijn fakkel zou willen overdragen.’ Van enig Latijns-Amerikaans magisch-realisme, waarvan de oudere schrijver het boegbeeld geworden is, is bij de jongere echter niets te merken. Franco schrijft sober en zakelijk over een werkelijkheid die even prozaïsch is als ze voor zijn Spaanstalige lezers herkenbaar moet zijn: voor zijn nog niet vertrokken landgenoten als droom, voor de emigranten als harde realiteit die door geen betovering wordt verzacht.

De ervaring van migratie en ontheemding in de VS heeft binnen de Latijns-Amerikaanse letteren een nieuw genre geschapen (vaak aangeduid als chicano- literatuur), waarin het gesappel van de Spaanstalige subculturen kleurrijk wordt uitgemeten. Oscar Hijuelos beschrijft in zijn talrijke romans over het leven van Cubaanse ballingen en émigrés; Sandra Cisneros over haar eigen Mexicaanse wortels. Maar beiden vormen ook het beste bewijs van veramerikaansing van deze culturen. Ze werden allebei in de VS geboren en schrijven in het Engels, zoals ook veel Latijns-Amerikaanse auteurs uit de eerste generatie emigranten zijn gaan doen.

Zo schreef James Cañón, geboren en getogen in Colombia maar inmiddels woonachtig in New York, zijn eerste, zojuist vertaalde roman Het dorp van de weduwen direct in het Engels. Toch ademt dit boek – over een Colombiaans dorp waaruit op een kwade dag alle mannen worden weggevoerd om te worden ingelijfd bij de plaatselijke guerrilla – in alles de sfeer van Honderd jaar eenzaamheid. Net als in Macondo lijkt in Mariquita, het dorp waar het boek zich afspeelt, de tijd in de meeste opzichten te hebben stilgestaan. Exotisme paart zich aan een magische bovennatuurlijkheid, vooral in de sfeer van het ewig Weibliche dat zich in dit manloze dorp ongehinderd kan ontplooien.

Voor deze erfenis van García Márquez is de literatuur dus inmiddels meer op de VS dan op Zuid-Amerika zelf aangewezen. Het magisch- realisme is in de laatste continent zo goed als uitgestorven, om welig verder te tieren ten noorden van de Río Bravo. De spilfiguur in die literaire landverhuizing is Isabel Allende. Naar het buitenland uitgeweken na de militaire staatsgreep tegen haar oom, Salvador Allende, brak zij met haar debuutroman Het huis van de geesten direct door als een wereldschrijfster. Zwaar leunde ze daarin nog op de sfeer van archaïsche betovering en almachtige patriarchen die rechtstreeks uit het werk van García Márquez afkomstig was.

In de daaropvolgende romans van Allende schoof de macho-schaduw van die laatste steeds verder naar de zijlijn en werd het toneel steeds meer gedomineerd door vrouwelijke personages, die er echter niet minder mythisch en mystiek op werden. Dat mengsel van exotisme, feminisme en new age bleek buitengewoon succesvol in de VS waar Allende zich inmiddels gevestigd had. Een stroom van romans en (vooral vrouwelijke) auteurs bracht op zijn beurt een nieuw literair genre voort, waarin de hardheid van de emigranten-literatuur alsnog verzacht werd met een magisch sausje. Troostende geesten die verschijnen in het kijkraampje van ovens, wonderlijke recepten die ongekende krachten bezitten en aloude wijsheid die de dagelijkse sleur een bijzondere glans meegeeft maken deze boeken tot ideale escape-literatuur. Ze voeden de nostalgie naar een culturele eigenheid die in het land van herkomst al lang niet meer bestaat – zo ze dat al ooit gedaan heeft.

Want wie de Latijns-Amerikaanse literatuur van dit ogenblik bekijkt, ziet een geheel andere werkelijkheid naar voren komen. Niet bij toeval brak Jorge Franco, nog vóór zijn Paradijsvogels, door met een roman over de Colombiaanse wereld van drugsbendes en huurmoordenaars. Het Medellín van zijn roman Rosario of van de succesvolle roman De madonna van de moordenaars van Fernando Vallejo heeft niets meer gemeen met het goedmoedige Macondo. Het is een plaats van geweld en coke, criminele tieners en een altijd loerende dood. Nauwelijks anders gaat het eraan toe in het Mexico-Stad van Guillermo Arriaga, die in zijn roman Nachtbuffel een even traumatische wereld van misdaad en wapengebruik schetst als hij dat eerder deed in zijn scenario voor de succesvolle film Amores perros.

Dat harde realisme is de Latijns-Amerikaanse literatuur niet vreemd. Ook onder de schrijvers van de boom waren er al die de deplorabele situatie van het continent aanklaagden. Maar zij deden dat met de brede blik van de historicus of de politieke ideoloog, zoals de Uruguyaan Eduardo Galeano, die in zijn vuistdikke Kroniek van het vuur maar liefst vijf eeuwen overheersing aan de kaak stelde. De rauwe impact die de jonge schrijvers nu zoeken met hun verhalen van de straat, maakt hun boeken niet alleen directer en aangrijpender, soms tot walgens toe. Ze verraden ook een andere literaire inspiratie. De Amerikaanse detectiveroman en het dirty realism zijn hun voorbeelden, niet de Bildungs-literatuur uit Europa.

Dat geldt zelfs voor de Chileense schrijver Roberto Bolaño die, na in Mexico te hebben gewoond, tenslotte in Spanje overleed, wachtend op een niertransplantatie die niet op tijd kon worden uitgevoerd. De roman De woeste zoekers, waarmee hij internationaal doorbrak, is een mengsel van road novel en detectiveroman (in het Spaans heet het boek Los detectives salvajes) met een zo ondoorzichtig plot dat Bolaño er Raymond Chandler mee naar de kroon zou kunnen steken. Anders dan bij de jongere schrijvers (Bolaño werd geboren in 1953) is het politieke verleden van Latijns-Amerika in zijn boeken echter nadrukkelijk aanwezig. Over De woeste zoekers hangt de schaduw van de bloedige gebeurtenissen rond de Olympische Spelen in Mexico in 1968. Zijn huiveringwekkende romans Het lichtende kwaad en Chileense nocturne cirkelen rond de folterpraktijken van het regime van Augusto Pinochet.

Niets van die politieke onrust is te bespeuren bij de Argentijnse schrijver Alan Pauls, die in zijn vuistdikke roman Het verleden op een soms bijna Proust-achtige wijze de verwordingsgeschiedenis van een liefdespaar uit de middenklasse van Buenos Aires beschrijft, nadat beiden uit elkaar zijn gegaan. Pauls is een goed observator en psycholoog, die met veel aandacht voor minieme details een alledaagse affaire tot een tragedie kan maken. Bij hem lijkt de Latijns-Amerikaanse literatuur geheel ‘genormaliseerd’ te zijn. Niets onderscheidt zijn boek nog van een soortgelijke roman uit Parijs, Madrid of desnoods Amsterdam.

Daarmee tekent zich in Latijns-Amerika een wonderlijke rolverdeling af. Heftige en schokkende romans worden vooral in het noordelijk gedeelte daarvan (Colombia, Mexico) geschreven. In de zuidelijke kegel is die heftigheid – parallel aan de politieke situatie – gaandeweg bezonken, zelfs wanneer het jongste verleden daarbij te sprake komt. Wat Bolaño in de jaren negentig nog beschreef in beukende beelden, is bij de tien jaar jongere Argentijnse schrijver Marcelo Figueras voorwerp geworden van een subtiele, indirecte beschrijving. Zijn innemende roman Kamtsjatka is het verhaal van een 10-jarige jongen die onverwacht met zijn ouders verhuist naar een vakantiebungalow op het platteland. Alleen kleine aanwijzingen maken de lezer duidelijk wat de jongen nauwelijks beseft: zijn ouders zijn ondergedoken voor de dictatuur die rondom hen steeds meer mensen heeft doen verdwijnen.

Kamtsjatka laat zien hoe de literatuur traumatische gebeurtenissen kan herdenken op een serene wijze, die de eerste stap is naar een verzoening met het verleden zonder de verschrikkingen daarvan te vergeten. Door zich niet uitdrukkelijk als een politieke roman te presenteren, weet het de werkelijkheid daarvan des te effectiever op te roepen – en betoont het zich tegelijk een even innemende als indrukwekkende roman. Díe wereld van ‘Kamtsjatka’ is mijlenver verwijderd van de betovering van Macondo, maar is authentieker ‘Latijns-Amerikaans’ dan wat de epigonen van García Márquez weten voor te schotelen.

James Cañón: Het dorp van de weduwen. Vert. Ernst de Boer en Ankie Klootwijk. Meulenhoff, 368 blz. € 19,90Alan Pauls: Het verleden. Vert. Arie van der Wal. Meulenhoff, 573 blz. € 25,–Marcelo Figueras: Kamtsjatka. Vert. Brigitte Coopmans. Signature, 272 blz. € 17,95Guillermo Arriaga: Nachtbuffel. Vert. Mieke Westra en Mariolein Sabarte Belacortu, 260 blz. € 17,95