De duivel is onmisbaar

In een poging om het jongmens te ontrafelen dat de wereld in een moordlustige chaos stortte, besteedt Mailer veel aandacht aan diens vader

Norman Mailer: The Castle in theForest. Random House, 467 blz. €17,50.

Anno 2007 een roman publiceren over de jeugd van Adolf Hitler – dat kan binnen de Amerikaanse literatuur van weinig auteurs de ambitie zijn. En aangezien Philip Roth andere preoccupaties heeft, en voor jongere generaties de geschiedenis dikwijls op 11 september 2001 lijkt te beginnen, is het niet echt verwonderlijk dat juist Norman Mailer (1923) zich meldt als auteur van The Castle in the Forest.

Mailer moet in eerste instantie gecomplimenteerd worden met deze onderneming – al is het maar omdat hij hiermee zijn eigen creatieve uitgangspunt trouw is. Nooit heeft hij grote onderwerpen geschuwd, nooit is hij zijn eigen idiosyncratische, autodidactische werkwijze ontrouw geweest, nooit is hij ervoor teruggedeinsd zich kwetsbaar te maken door even grote als bizarre hypotheses te lanceren over kunst, boksen, feminisme, de doodstraf, oorlog en wat al niet. Veel onzin, maar altijd onzin die niet genegeerd kon worden.

The Castle in the Forest volgt de jeugdjaren van Adolf Hitler. Of eigenlijk al de jaren ver vóór zijn conceptie, tot aan zijn eindexamen van de Realschule in Steyr, waarvan hij het diploma in vieren scheurde om er zijn gat mee af te vegen, en de stukken daarna reinigde, aan elkaar plakte en aan zijn trotse moeder aanbood.

Honderden historici, psychologen en publicisten in andere disciplines hebben in de afgelopen zestig jaar getracht het speciale geval te ontrafelen van deze mediocre, provinciaals opgevoede maar artistiek ambitieuze jongeman die de wereld in een ongekend moordlustige chaos zou storten.

Mailer besteedt erg veel aandacht aan de vader van Adolf (of ‘Adi’ zoals hij in de familiekring liefkozend werd genoemd), Alois, een half geletterde rokkenjager die des ondanks niet zonder zorg aangaande zijn nageslacht door het leven ging. En Mailer besteedt te veel aandacht aan een liefhebberij die Alois in zijn latere jaren, nadat hij gepensioneerd was als douanebeambte, ook als zijn broodwinning begon te zien: het houden van bijen.

Er zijn veel, en overtuigende verwijzingen naar het dierenrijk. Zo is het aannemelijk dat Adolf met meer dan normale interesse volgde hoe zijn vader hun hond Luther halfdood schopte om vervolgens te constateren hoe het beest zich met nog meer slaafse aanhankelijkheid aan zijn baas hechtte. Maar de bijenkorf als voorbeeld van een samenleving zoals die zich aan de kleine Adi moet hebben voorgedaan, een betrekkelijk onaanzienlijke koningin voor wie duizenden soortgenoten zich doodwerken, is een van de metaforen die Mailer overtuigend, zij het wat langdradig, door het boek verwerkt.

Het is me niet gelukt alle verwijzingen naar het biografische gehalte van deze roman na te trekken. Had hij nu echt maar één testikel en was dat de reden dat hij altijd zijn handen beschermend voor zijn kruis hield? Volgens Hitlerbiograaf Ian Kershaw is dat verhaal onzin. Heeft hij echt de dood van zijn broertje Edmund op zijn geweten door hem, toen hijzelf besmet met mazelen, hem bewust kuste onder het mom dat hij zoveel van hem hield? Uiteindelijk zal Mailer de eerste zijn om toe te geven dat dit irrelevant is binnen de romanvorm die hij heeft gekozen. Om te beginnen ligt daar natuurlijk het uiterst ingewikkelde verhaal van zijn genealogie. Dat er incest in de familie voorkwam, was in het boerse Oostenrijk van die dagen niet iets opzienbarends. Het gerucht dat een andere kandidaat voor het grootvaderschap van Adi een jood genaamd Frankenberger was, is echter door serieus onderzoek ontkracht.

Incest en onzekerheid over zijn achtergrond zijn natuurlijk geen afdoende verklaringen voor Hitlers levensloop, zoals die andere gegevens dat evenmin zijn. Waarschijnlijk heeft Mailer om die reden zijn toevlucht gezocht tot een typisch Maileriaanse ingreep: het Kwaad moet al in de baby zijn ingevoerd op het moment van zijn conceptie. Daartoe introduceert hij als verteller een duivel die het lichaam heeft aangenomen van de SS-er Dieter, die door degene die we als de Opperduivel moeten beschouwen – de Maestro genoemd – aan de kleine Adi wordt toegewezen om het Kwaad in hem tot opperste potentie op te stoken.

Het is op dit punt dat agnostici langzaam zullen afhaken – tenzij de auteur dat gevecht tussen Goed en Kwaad ook romantechnisch tot een bevredigend eind weet te brengen. Helaas is dat niet het geval. In plaats van Hitler zelf wordt door deze ingreep de duivel zelf niet alleen de verteller, maar ook in zekere zin de hoofdpersoon van deze roman. Mailer kan het niet laten het verhaal van Adolfs jeugd dan ook op twee essentiële punten te onderbreken wanneer Dieter door de Maestro naar twee zwaarder wegende opdrachten wordt gezonden. Allereerst in 1895 naar Moskou, om de kroning van tsaar Nikolaas II tot een chaotisch bloedbad te maken, en drie jaar later naar Genève om de anarchist Luigi Lucheni te helpen met zijn plan keizerin Elisabeth van Oostenrijk te vermoorden.

Mailer portretteert deze Dieter allesbehalve als de destructieve idioot die dood en verderf als enige oogmerk heeft. Zijn verteltoon is haast mild ironisch en hij vertoont nog de meeste gelijkenis met een geheim agent uit het middenkader in dienst van een aardser opdrachtgever; hij opereert althans opvallend pragmatisch op alle vlakken waar hij moet tegenstreven wat zijn opponent God (doorgaans aangeduid als Der Dummkopf) in zijn plannen met de wereldburgers voor heeft.

Ik heb weinig geduld met een verteller (in casu Dieter) die het in zijn macht heeft ‘droometsen’ in het hoofd van zijn ‘cliënt’ aan te brengen die hem tot het gewenste kwade gedrag brengen, en al even weinig met de andere technieken die hem ter dienste staan. Het zijn literaire oplossingen (en we hebben het uiteindelijk over een roman) die juist vanwege de almacht (zij het bij tijden ingeperkt) van die verteller/hoofdpersoon, hoogst onbevredigend zijn. Wanneer er nu nog sprake was van enige literaire spanning (‘Zal het de jonge Adolf gelukken de wereld te veroveren en alle joden uit te roeien?’) dan zou de ingreep voor de liefhebbers van een bepaald genre fictie nog zijn waarde hebben, maar aangezien we de afloop weten, is zelfs dat niet het geval.

Een huilbaby met een meer dan normale belangstelling voor uitwerpselen, een stinkende pestkop die masturbeert met de besnorde beeltenis van de anarchist Lucheni voor ogen: Mailer heeft weinig moeite het portret van een onaangenaam jongmens te schilderen, maar voor een potentiële psychopatische massamoordenaar is de hand van de Duivel nodig. Wie daarin gelooft zal The Castle in the Forest met bewondering lezen.

Mailers uitgever heeft laten weten dat deze roman de eerste is in een drieluik waarvan de volgende twee delen de rest van Hitlers leven zullen behandelen. Mailer zelf heeft al eens eerder zo’n belofte gedaan, toen hij op pagina 1.282 van zijn roman Harlot’s Ghost, over de geschiedenis van de CIA, zijn lezers achterliet met de woorden ‘wordt vervolgd.’ Van dat vervolg is het nooit gekomen. Jammer, want ik vond die opwindende turf juist een hoogtepunt in zijn oeuvre.

Mailer is nu bijna 84 en hoewel hij enkele van zijn beste boeken (inclusief het provocerende Gospel According to the Son) heeft geschreven in wat normaal gesproken de nadagen van een schrijverscarrière zijn, moet ik bekennen niet erg benieuwd te zijn naar de volgende twee delen van Adi's biografie. Althans, indien hij daar opnieuw de duivel als verteller voor nodig heeft.