De bliksem in het hoofd

Th.C.W. Oudemans is het buiten-beentje van de vaderlandse filosofie. In een aforistisch, zoekend boek probeert hij te denken voorbij alle aannames van de moderne wereld.

Th. C. W. Oudemans: Echte filosofie. Bert Bakker, 317 blz. € 25,–

Sommige filosofie kan een bliksemend inzicht produceren in alles wat bestaat, in de ‘metafysische’ geschiedenis van het Westen, of van de mensheid, een inzicht dat een persoonlijke transformatie van de ingewijde met zich meebrengt en het gevoel te zijn uitverkoren voor hogere wijsheid dan de modale burger daarbuiten. Kortom, sommige filosofie lijkt wel religie.

Zo kunnen trouwe leerlingen van therapeutische filosofen als Heidegger of Wittgenstein, die de hele filosofische traditie sinds Descartes op de schop nemen, het gevoel krijgen dat de schellen hen van de ogen vallen en dat ze oog in oog staan met ‘het wezen der dingen’. Filosofie is dan geen schoolboekverhandeling over propositielogica of het raadsel van Zeno meer, maar een cultuurkritische denkervaring van diep, wereldhistorisch belang (Heidegger), of een ultiem inzicht in de logische vorm van de wereld (Wittgenstein).

Echte filosofie van Wouter Oudemans is zo’n boek. In deze pagina’s staat niets minder op het spel dan de hele moderne wereld, zoals die verschijnt in opeenvolgende historische ‘betekenishorizons’ van de westerse metafysica, van Descartes tot Darwin. Oftewel, zoals de auteur zelf droogjes opmerkt: ‘De zaak die in dit boek in het geding is, die is niet gering.’

Echte filosofie is ook een bizar, vreemd, om niet te zeggen knettergek boek. Wie het openslaat, bekomen van de brutale titel, valt met een harde klap midden in alinea’s die een diepzinnige of duistere bewering bevatten, een persoonlijk terzijde over een boswandeling, of een jeugdherinnering, die zich gestaag aaneenrijgen tot een onheilspellende mantra over het nihilisme van de moderne wereld.

Die aforistische stijl geeft het boek een ongebruikelijke en bedrieglijke ‘toegankelijkheid’ (al zal Oudemans van die laatste term gruwen: zichzelf begrijpelijk maken is zelfmoord van de filosofie, vond Heidegger immers), die doet denken aan de Philosophische Untersuchungen van Wittgenstein. Maar didactische uitleg, namedropping en verwijzingen naar secundaire literatuur ontbreken nadrukkelijk.

Oudemans wil zo ongetwijfeld tonen (en niet vertellen) wat ‘echte’ filosofie is: ‘een gesprek van de ziel met zichzelf’, in plaats van het conform academische criteria oplepelen van commentaar op andermans ideeën. Hij zet zich af tegen elke populariserende filosofie en wil trouw zijn aan een filosofie, zegt hij, ‘die niet van de mensen is, maar dat denken is dat het menselijk denken tekent zonder hierdoor te kunnen worden ingehaald’. De ironie is dan natuurlijk, dat door die esoterische stijl zijn eigen boek goed te lezen is, maar alleen te plaatsen zal zijn voor gestudeerde doctorandussen in de filosofie.

Echte filosofie volgt Heidegger, de grote inspirator van Oudemans, naadloos in diens typering van de moderne wereld als een orde die wordt beheerst door maakbaarheid, manipuleerbaarheid en ‘rekenend denken’. De ouderwetse filosofie heeft daarin elke zin verloren, een ramp waaruit volgens de Duitse denker ‘alleen een god’ ons kon redden (en zeker geen commissie of parlementair onderzoek).

Verrassender, maar geen novum onder anti-liberale of posthumane denkers, is Oudemans’ enthousiaste gebruik van darwinisme en genetica in dit boek. Heidegger zag in het darwinisme niet veel meer dan een volgende loot aan de tak van de calculerende wetenschap, maar volgens Oudemans gaat het om een nieuwe omwenteling: de ‘reductie’ van het leven, inclusief het menselijke, tot genetica. Toegepast op de samenleving, behelst dat een amoreel sociaal-darwinisme.

Daarmee is de opzet van zijn boek (waar een tweede deel op moet volgen) duidelijk, om niet te zeggen overzichtelijk. Twee ‘grote reducties’ hebben zich volgens Oudemans aan de wereld en ons voltrokken sinds de 17de eeuw. Eerst kwam de ‘mechanische’ revolutie van de natuurwetenschappen, de mathesis universalis van Descartes en Galilei. Drie eeuwen later gevolgd en voltooid door de ‘darwinistische’ van de nieuwe biologie.

Sindsdien staan we in een ‘betekenishorizon’ die alles terugbrengt (reduceert) tot een proces van herhaling en replicatie. Kunst, cultuur – en filosofie – zijn zinloos geworden; hun werelden zijn ‘geïmplodeerd’. De kloof die de reductie van Descartes opende tussen mens en wereld, of subject en object, is gedicht door het darwinisme. Mensen zijn geen subjecten meer, maar ‘quasi-replicatieve vehikels’, die in dienst staan van het genoom.

Op het eerste gezicht is dit de bekende conservatieve kritiek op de massasamenleving, waarin alle oude waarden worden afgebroken. Sporen van die kritiek zijn te vinden bij Ad Verbrugge, die in Tijd van onbehagen (2004) aan de hand van de film The Matrix fantaseert dat we in de greep zijn van een ‘aardgeest’. En bij de deugdenethicus Andreas Kinneging, wiens boodschap in Geografie van goed en kwaad (2005) erop neerkomt dat de mensheid sinds de oudheid en het christendom eigenlijk alleen maar slechte ideeën heeft gehad.

Wat Oudemans van hen onderscheidt, is zijn hardheid, zijn afscheid van het humanisme, en zijn bereidheid om ook zijn eigen woorden op het spel te zetten: deze denker spaart zichzelf niet. Cultuurkritiek (en de hoop op oude waarden) heeft volgens hem ook helemaal geen zin, want ‘de woestijn is niet iets om te beoordelen, kritiek op te hebben of te willen veranderen [...] Eerder zou de filosoof de woestijn tot zijn eigen nadenken moeten toelaten.’

Over de merites van deze hybride van Heidegger en Darwin zal onder kenners te twisten zijn. Oudemans baseert zich hier vooral op het aansprekende, maar omstreden werk van Richard Dawkins, die de notie van het selfish gene behendig in de markt heeft gezet. Hij loopt weg met Dawkins’ idee van een zelfzuchtig genoom dat zich ‘via ons’ voortplant, maar dat blijft toch eerder een eigentijdse metafoor dan een wetenschappelijk feit.

Filosofisch blijft hij Heidegger volgen, ook in diens aanstootgevende amoralisme. Over de ‘neutralisering van intermenselijkheid’ die ons beheerst – calculatie en efficiency reguleren nu ook de menselijke omgang – schrijft Oudemans dat niemand weet hoe die uitpakt: ‘Soms mondt zij uit in moord en genocide, zoals in het nationaal-socialisme, soms bestaat zij als het monddood maken van wat niet binnen de economische rationaliteit valt, soms vallen er enorme winsten mee te boeken.’

Wil hij daarmee echt zeggen dat dat allemaal uitingen zijn van hetzelfde?

Het zoeken naar het ‘wezen’ van alles wat modern is, zoals de gemechaniseerde landbouw en het ‘produceren van lijken’ in concentratiekampen (een berucht voorbeeld van Heidegger), is een favoriete techniek van cultuurcritici. Zoals Heidegger ‘metafysisch gesproken’ ‘hetzelfde’ zag in het naoorlogse Amerika en de Sovjet-Unie (‘razernij van de massamens’), zo ziet Oudemans opvallende overeenkomsten tussen een SIRE-reclame en nazi-propaganda. ‘In Nederland luidde een SIRE-reclame: De maatschappij, dat ben jij. In het nationaal-socialistische Duitsland heette het: Du bist nichts, dein Volk ist alles.’

Soms kunnen pogingen om het ‘geweld’ achter onze liberale, humanistische cultuur bloot te leggen een eye-opener zijn en de lezer wakker schudden uit het zelfgenoegzame idee dat alles bij ons in het Westen wel lekker loopt. Zie de morele discussie over de bio-industrie, of de kritiek op een gemakzuchtige opvatting van kosmopolitische tolerantie die anderen best wil accepteren zolang ze maar niet te veel van ons verschillen. Maar evenzeer, zo niet eerder, brengen zulke abstracte identificaties juist een vorm van blindheid teweeg, een filosofische staar die in de kaartenbak van de sociale dienst, of een knieslot voor een tbs’er, ‘hetzelfde’ ziet als in de dienstregeling naar Auschwitz.

Dat lijkt hier helaas het geval. Elders bezweert Oudemans dat ‘de levens die in de afgelopen eeuw zijn vernietigd, in de Tweede Wereldoorlog, in het socialisme en het nationaal-socialisme, voor niets zijn omgekomen. Zij zijn niet gestorven maar geliquideerd – zij behoorden niet tot een wereld van zin, een metafysica.’ Als hij hiermee bedoelt dat de massamoorden van de 20ste eeuw een modern verschijnsel waren, heeft hij gelijk. Maar dat is een open deur. De observatie dat die liquidaties niet behoorden tot ‘een wereld van zin’, is dat allerminst. Waar geen zin bestaat, is ook geen schuld aan te wijzen.

Het verzet tegen de eerste, mechanische ‘reductie’ dat werd belichaamd in de Romantiek is volgens Oudemans overigens, geheel in provocatieve stijl, ‘pas sinds Duitslands verlies van de Tweede Wereldoorlog definitief gesmoord’. Hier vindt dus een vileine omkering van de verhoudingen plaats. Niet de nazi’s waren kennelijk degenen die het darwinisme tot regulatief principe van de samenleving verhieven, maar juist hun nederlaag tegen het liberalisme en communisme maakte de weg vrij voor deze nieuwe ‘betekenishorizon’.

Nu zou Oudemans niet Oudemans zijn als hij maalde om het verwijt dat hij er ‘foute’ ideeën op nahoudt. Die horen bij zijn pogingen het ‘wezen’ te zien van onze nihilistische orde. Maar zijn staar maakt het hele blikveld helaas eerder wezenloos. Net als bij Heidegger, en ondanks diens lofzang op het simpele boerenleven, verliest de alledaagse werkelijkheid hier kleur, smaak, vorm en weerbarstigheid, kortom: menselijke concreetheid.

Hij heeft bovendien het probleem van elke visionair die buiten de orde wil treden: vanuit welke positie spreekt hij zélf? Als we zijn ingekapseld door de ‘betekenishorizon’ van zijn beide reducties, hoe kan hij die dan nog ter sprake brengen? Hij schrijft: ‘Vandaag de dag raakt de mathematisch-mechanische wereld voltooid, dat wil zeggen: zij vervult alle mogelijkheden die zich voordoen, zij raakt afgerond, waardoor haar omcirkelende horizon belicht wordt.’ Opeens beseffen we dat het drijfzand zich boven ons hoofd heeft gesloten - en dat het drijfzand is.

Maar als alle mogelijkheden zijn vervuld, wat zegt dit boek dan nog?

Oudemans is een veel te goede filosoof om dat probleem niet te zien. Hij spreekt van zijn eigen ‘taalnood’ en tast naar ‘kleine’ woorden waarin zich iets verraadt van onze nieuwe betekenishorizon, en van een glimp van iets anders. Filosofie is het ‘zoeken naar woorden’. Zo toont hij zich een trouwe leerling van Wittgenstein (die de Tractatus Logico-Philosophicus beschouwde als een ladder die na gebruik moest worden weggegooid) en Heidegger, wiens werk één grote poging is een nieuw idioom voor het denken te ontwikkelen.

Vervolgens daagt dan het ‘darwinistische’ besef dat taal geen ‘instrument’ is van ons, de mens, maar een parasietenkolonie die zich in ons heeft gevestigd als ‘vehikels’ voor replicatie: ‘taal is primair die van het genoom’. En zo eindigt dan het boek: ‘Misschien dringt het besef tot mij door dat de niet-menselijke taal mijn identiteit doortrekt en ik zelf iets niet-menselijks heb dat grond en tekening kan worden van mijn nadenken. Wat is het ‘echt’ filosofische? Deze taal, de ongenaakbare, in mijn schrijven eerbiedigen – er geen vereniging mee zoeken.’

Oudemans wil daarmee zeggen dat ‘echte’ filosofie de kloof tussen mens en wereld die door de genetica is gedicht, open moet houden – tastend naar een nieuwe waarheid. Het klassieke filosofische idee dat waarheid een eigenschap is van beweringen, vindt hij (net als veel conservatieve radicalen) hopeloos oppervlakkig. Waarheid is een ‘lichting’ van ‘het Zijn’ (Heidegger) waardoor mens en wereld zich in een nieuw licht tonen.

Het probleem van die benadering is dat ‘waarheid’ zo een mystiek, semi-sacraal begrip dreigt te worden, dat weliswaar alomvattende ‘epochen’ in de ‘Zijnsgeschiedenis’ aanduidt (zoals de nu ‘heersende waarheid’ van het darwinisme), maar dat dan niet tegelijkertijd kan dienen om binnen die epochen nog prozaïsch onderscheid te maken tussen juist en onjuist, vals en echt, goed en kwaad.

Oudemans neemt dat voor lief. Taal is er immers niet om de werkelijkheid te beschrijven, maar om die (en ons) te ‘manipuleren’. Het gaat hem erom tegen de grenzen van die taal aan te rennen en zodoende de horizon op te roepen die ons beheerst. ‘Dankzij de taal is datgene wat afwezig is niet zonder meer weg’, schrijft hij. ‘De actualiteit van de technowereld is doortrokken van dit afwezige dat niet weg is. In zekere zin ziet iemand die nadenkend gestemd raakt dit’.

Alleen de ziener ziet dus tussen de kieren van de ‘technowereld’ nog enig licht, al weet hij zelf niet waarvan. De prijs die Oudemans daarvoor betaalt, is dat we zijn uitspraken als beweringen óver de werkelijkheid dan ook niet serieus hoeven te nemen. Zoals hij zelf zegt: ‘Ik hoop op echtheid – maar daar ga ik niet over.’

Is dit een zinvolle manier van denken en schrijven? Taalfilosoof Donald Davidson (en Oudemans’ Nederlandse tegenvoeter Herman Philipse) heeft zich gekeerd tegen het denken in alomvattende ‘betekenishorizonten’ dat het werk van Heidegger doortrekt, maar ook dat van de latere Wittgenstein (‘taalspelen’), Kuhn (‘paradigma’s’) en vele anderen. Volgens Davidson garandeert het feit dat mensen denkende en talige wezens zijn dat de woorden van anderen altijd te interpreteren zijn en nooit volledig achter de horizon verdwijnen. Verschillen tussen ons en anderen (of eerderen), hoe diepgaand die ook zijn, tekenen zich pas af tegen een veel grotere gedeelde achtergrond.

Dat betekent dat ‘reducties’ nooit ‘alles anders’ kunnen maken. We staan binnen een horizon, maar we liggen niet verpletterd onder een deksel. Wittgensteins taalfilosofische notie van ‘familiegelijkenissen’ wijst op iets anders: individuen kunnen onderling telkens andere kenmerken gemeen hebben, en toch allemaal tot dezelfde familie behoren. Waarom zou dat niet gelden voor ‘betekenishorizons’?

Zijn radicalisme drijft Oudemans verder dan de meeste critici van de moderne cultuur. Dat maakt zijn werk fascinerender, en ongemakkelijker, dan het somberen van Verbrugge, laat staan het stilstaande water van Kinneging. Maar dit radicalisme is óók zijn achilleshiel: het vermoeden rijst dat de grootste ‘reductie’ uiteindelijk plaatsvindt in het brein van de auteur. Wat verdwijnt is het vermogen om nuance en verschil te denken, en om de morele lading te blijven zien van de moderne wereld, tegen alle nietigheid in.

Bij Wouter Oudemans hebben de bodysnatchers al gewonnen, met één filosoof struggling to get out. Dat neemt niet weg dat zijn boek duidelijk maakt wat de lading is van diep onbehagen in de moderne cultuur. Echte filosofie draagt geen vlinderdas, loopt niet op cowboylaarzen, en heeft niet de ‘X-factor’. Maar in zijn weigering zich te gedragen, is het precies wat het wil zijn: een aanstootgevend denken dat aan zichzelf probeert te ontsnappen.