Besnyö en Capa zijn als dag en nacht

Tentoonstelling: Robert Capa: Retrospectief. Eva Besnyö: Onbekende foto’s. T/m 20 mei in het Joods Historisch Museum, Amsterdam. Inf.: 020-5310310.

Eva Besnyö (1910-2003) en Endre Friedmann (1913-1954) brachten hun jeugd door in hetzelfde woningcomplex in Boedapest. Zij raakte er verslingerd aan de fotografie en hij, even, aan haar. Rond hun twintigste vertrokken ze als zoveel Hongaren naar Berlijn. Zij om er in de leer te gaan bij een fotostudio. Hij moest wel – verjaagd vanwege zijn linkse sympathieën.

Na twee jaar reisde Besnyö in het kielzog van de Nederlandse filmer (en latere echtgenoot) John Fernhout naar Amsterdam waar ze de fotografie opschudde met haar frisse foto’s vol spannende diagonalen en heldere dynamiek.

Friedmann op zijn beurt was een van die vele Exil-Hongaren die op zoek naar een broodwinning de camera ter hand nam. Volgens zijn biograaf Richard Whelan ging hij vooraf te rade bij zijn vroegere buurmeisje. Fotografie dien je te léren, moet ze verbijsterd geroepen hebben. Eenmaal aangeland in Parijs, bleek hij behalve talentvol ook een durfal en aimabele ritselaar – goede eigenschappen voor een fotojournalist. Robert Capa noemde hij zich, dat stond beter onder een foto. Onder die naam zou hij de oorlogsfotografie opnieuw uitvinden.

Een verzorgde keuze uit hun oeuvres – bijna honderd uit het zijne, ruim tachtig uit het hare – is momenteel te zien in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Het is de eerste keer dat ze gezamenlijk exposeren aldus het museum. Dat zou goed kunnen, maar bevreemden doet het niet. Hun foto’s verschillen nu eenmaal als dag en nacht.

Capa volgde de Spaanse burgeroorlog (en maakte zijn fameuze foto van een dodelijk getroffen soldaat), was in China tijdens de communistische machtsovername en in Londen tijdens de Duitse bombardementen. In juni 1944 versloeg hij de geallieerde landing op de Normandische kust – het merendeel van die foto’s werd door een slordige laborant geruïneerd; het verhaal is even legendarisch als de paar hectische en schimmige foto’s die wél bewaard bleven. Nadien fotografeerde hij in de Sovjet-Unie en Israël. In 1954 stapte hij in Indochina op een mijn.

Capa’s carrière is op de voet te volgen in de chronologische expositie die werd samengesteld door het agentschap Magnum waarvan hijzelf in 1947 een van de initiatiefnemers was. Voor wie enigszins thuis is in de fotografie is het gesneden koek, maar bezwaarlijk is dat allerminst. Ook al rammelen zijn foto’s soms van de haast, Capa’s werk blijft ook na ruim een halve eeuw indrukwekkend vitaal. In de frontlinie fotografeerde hij hoe oorlog eruit zag, erachter wat hij betekende – nog net niet zo gedetailleerd als vandaag gebruikelijk maar toch met een voor zijn dagen ongekende directheid. Aan sfeervol belichten of geduldig componeren deed hij weinig, compassie met slachtoffers toonde hij altijd. Zelden is dat duidelijker dan in de foto’s die hij in juni 1944 maakte in het bevrijde Franse Chartres waar een kaalgeschoren ‘moffenhoer’ samen met haar kind door de straten gejaagd wordt – beklemmende beelden van de wraakzucht der overwinnaars.

Anders dan die van Capa biedt Besnyö’s presentatie wél verassingen. Het beeld van haar oeuvre heeft altijd zwaar geleund op haar werk uit de Berlijnse en vroege Nederlandse jaren. De tentoonstelling gaat daar goeddeels aan voorbij (haar bekendste foto, die van het zigeunerjongetje zeulend met een veel te grote bas, ontbreekt zelfs) en legt daarentegen de nadruk op haar minder bekende architectuur- en interieurfotografie, haar kunstenaarsportretten, en de zakelijke foto’s die ze maakte voor het bedrijfsleven – leerlingen in het laboratorium van een Zuivelschool, het gehamer op een scheepswerf, de nijverheid in een confectiefabriek.

Al blijft er telkens die nadruk op helderheid en bijna tastbare textuur die zo kenmerkend is voor de tussen beide wereldoorlogen geschoolde ‘Nieuwe Fotografen’, gaandeweg de jaren vijftig zie je haar foto’s soberder en degelijker worden. Dat is minder vooruitstrevend dan haar reputatie zou doen vermoeden, zuiver en vakbekwaam is het wel. In de door haarzelf aangelegde collectie van ‘beste foto’s’ mogen ze dan ontbreken, de hier gepresenteerde onbekende Besnyö’s tonen beslist een completere fotograaf.

Slechts een enkele keer is er een klein bruggetje tussen beide exposities – het portret van een vluchtelingetje dat zij gemaakt had kunnen hebben, drie vuilnismannen op rij die ook zijn aandacht hadden kunnen trekken. Maar dat is toeval en met de gedeelde jeugdjaren heeft het niets van doen.