‘Belang van sport dringt niet echt tot Den Haag door’

Sport is gezond, bevordert integratie en is een bindmiddel in de samenleving. Waarom is sport – zoals ook uit het regeerakkoord blijkt – dan geen politieke factor van belang?

Erica Terpstra mag nog zo tamboereren op de geringe aandacht van de nieuwe regering voor sport, Ton Boot vindt haar verzet slap. De succesvolle basketbaltrainer en autodidactische sportwetenschapper roept op tot harde actie. Alleen een revolte à la Pim Fortuyn kan volgens hem sport aan de politieke vergetelheid onttrekken.

Een ommekeer in denken acht Boot dringend gewenst. Omdat het zijns inziens tijd wordt dat politici de samenhang erkennen van sport met bijvoorbeeld integratie, onderwijs, volksgezondheid of economie. „Bovendien telt de georganiseerde sport vier miljoen leden; bij elkaar zijn er zelfs twaalf miljoen actieve en passieve liefhebbers van sport. Het draagvlak is enorm groot.”

In Boots ogen marginaliseert de regering sport. En zo lang de partijen die het sportbeleid bepalen om elkaar blijven cirkelen, verwacht hij geen structurele verbeteringen. Daarom ziet hij maar één uitweg: de barricaden. „Alleen door confrontatie krijg je iets in beweging”, zegt Boot, die voorzitter Terpstra van sportkoepel NOC*NSF niet de aangewezen persoon – „te lauw en politiek gevormd” – vindt om de revolutie te leiden. „De verandering moet aangevoerd worden door iemand met charisma, zoals Fortuyn dat was.”

Zijn ideaalbeeld is dat de twaalf miljoen sportminnende Nederlanders zich mobiliseren om te eisen dat er een ministerie van Sport en Bewegen komt. Het standaardargument vanuit de politiek dat de sport als beleidsterrein te klein is voor een zelfstandig departement, wuift Boot smalend weg. „Niet de omvang telt, maar het belang en de noodzaak. In de topsport hoort Nederland bij de besten ter wereld; doe er dan wat mee. Maar politici vinden sport alleen belangrijk als ze er mee kunnen pronken. Wees dan eerlijk en zeg: sport interesseert ons geen bal.”

Dat sport geen politieke factor van belang is, blijkt nog maar eens uit het regeerakkoord dat CDA, PvdA en ChristenUnie sloten. Sport wordt pas benoemd in de laatste, financiële paragraaf. Daarin staat alleen dat er twintig miljoen euro extra (op een begroting van honderd miljoen, red.) voor sport wordt uitgetrokken. Dat is ook nog eens aanzienlijk minder dan de tientallen miljoenen (CDA) en honderd miljoen (PvdA) die in verkiezingsprogramma’s waren beloofd.

Joop Alberda herkent dat beeld. In de acht jaar dat hij technisch directeur van NOC*NSF was, heeft Alberda al zijn creativiteit aangewend om politici ervan te overtuigen dat (top)sport maatschappelijk relevant is. Maar dat besef dringt maar moeizaam tot Den Haag door. Maar belofte maakt schuld, vindt de voorzitter van coachvakbond NLcoach en technisch directeur van zowel de Nederlandse volleybal- als de Russische voetbalbond. „Politici moeten aanspreekbaar zijn op hun toezeggingen.”

Maar als de sector zelf sport maatschappelijk zo belangrijk vindt, deskundigen als (sport)artsen de gezonde aspecten onderstrepen en sociologen de sport propageren als bindmiddel in de samenleving, wat is dan de oorzaak van de desinteresse in Den Haag? Volgens waarnemers simpelweg omdat sport niet bij politici op het netvlies staat. En bij de kabinetsformatie was het geen conflictueus thema. Daarom zou sport er bij ingeschoten zijn, een beeld dat wordt bevestigd door het antwoord van Wouter Bos op een kritische brief van IOC-lid Anton Geesink. De PvdA-leider gaf daarin toe dat sport is onderbedeeld en hij beloofde daar tijdens de regeerperiode wat aan te zullen doen.

Aan Jet Bussemaker (PvdA), de nieuwe staatssecretaris van Sport, de taak het ondergeschoven thema inhoud te geven. Ze beklaagt zich niet. Via een woordvoerster laat Bussemaker weten het regeerakkoord te hebben getekend en daarmee de consequenties te aanvaarden.

Een complicatie bij de politieke erkenning van sport is de argwaan bij politici, die zich vaak cynisch afvragen of NOC*NSF de sport of zichzelf vertegenwoordigt. Die sfeer is niet bevorderlijk voor een succesvolle lobby. Bovendien maakte Terpstra zich niet geloofwaardig door het regeerakkoord en de twintig miljoen extra voor sport eerst te loven, om naderhand onder druk van de achterban een kritische toon aan te slaan.

Die koerswijziging is de Kamerleden niet ontgaan. Sportwoordvoerder van het CDA Joop Atsma: „Verbazingwekkend dat Terpstra bij herlezing van het regeerakkoord tot een andere conclusie komt.” En Luuk Blom, die voor de PvdA de portefeuille sport van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet heeft overgenomen: „Sport heeft nooit hoog op de politieke agenda gestaan, ook niet toen Terpstra nog Kamerlid was. Ik ben geneigd haar kritiek niet heel erg serieus te nemen.”

Gelet op de onwrikbare verhoudingen lijkt NOC*NSF weinig kans van slagen te hebben met een ‘honderd-dagen-offensief’ dat moet uitmonden in de aanbieding van een kant-en-klaar voorstel aan premier Balkenende, „om sport steviger in het kabinetsbeleid te verankeren”.

Uit de Kamer hoeft de koepel weinig steun te verwachten. Atsma: „Ik vind dat sport goed is bedeeld. Onder het tweede kabinet Balkenende is er zelfs meer geld naar sport gegaan. Daar wordt nu op voortgeborduurd met twintig miljoen extra. En nog vindt NOC*NSF het te weinig.”

PvdA’er Blom: „Hoezo geen aandacht voor sport? Binnen twee maanden kwamen we met de VVD al met een initiatiefvoorstel voor een voetbalwet. Maar ik zeg Terpstra dat mijn blik meer op de beoefenaar en de supporter dan op de sportbonden gericht zal zijn. Bovendien zijn er kansen genoeg voor extraatjes, omdat de Kamer het recht van initiatief heeft.”

Die houding vraagt om een effectieve lobby, maar dan niet gedomineerd door NOC*NSF. Dat besef hebben nu ook de sportbonden, zoals directeur van de hockeybond Johan Wakkie beaamt. Samen met de sportkoepel is een politieke werkgroep samengesteld met Wakkie en vertegenwoordigers van verschillende bonden, met de bedoeling dat die zich vaker in Den Haag laten zien.

Wakkie: „Politici vinden dat NOC*NSF vooral uit beleidsmatig belang opereert en niet altijd de werkelijkheid laat zien. Zij hebben meer aan mensen van bonden, die vertellen hoe het werkelijk is. Naar hen wordt ook beter geluisterd dan naar Terpstra, die 35 jaar in de Kamer rondliep en daaruit met zachte drang is verdwenen.”