Waarom olierijkdom een ramp voor Rusland is

De Russische olievoorraden zorgen ervoor dat president Poetin wegkomt met zijn mislukte hervormingen, zijn mislukte democratisering en zijn onvermogen om het land de weg naar de toekomst te wijzen, meent Robert Skidelsky.

Na vijftien jaar staat het postcommunistische Rusland aan het begin van een film die heel lang gaat duren. Het commentaar uit het Westen – van de pers en van officiële zijde – is zowel kritisch als aansporend: de toon van een welmenende, maar zo nu en dan radeloze leraar. De Russen reageren op de westerse preken als stoute schooljongens, kribbig en afwerend, of ze veranderen van onderwerp. In plaats van dit onvruchtbare gekibbel voort te zetten kunnen we beter proberen te begrijpen welke wezenlijke trekken van het Russische bestel verhinderen dat Rusland doet wat het Westen wil.

Het economische bestel

Rusland is nu de tiende economie ter wereld; het inkomen per hoofd van de bevolking is sinds 1999 verdubbeld tot zo’n 12.000 dollar, ongeveer het niveau van Chili. De beurs doet het nog beter: 2006 was het vierde jaar waarin een rendement van meer dan 50 procent werd behaald. Rusland heeft een fors begrotingsoverschot, het heeft bijna geen buitenlandse schulden, en het heeft de grootste reserves aan buitenlandse valuta buiten Azië. Maar de economie is eenzijdig: haar bloei berust op de stijgende energie- en grondstoffenprijzen.

Vooralsnog heeft Rusland reusachtig geprofiteerd van de energiehausse, maar op de lange termijn zou die rampzalig kunnen uitpakken. Dat komt door wat economen de ‘vloek van de olie’ noemen. Het komt erop neer dat een land met weinig grondstoffen uitsluitend kan groeien door de industrie en de dienstensector te ontwikkelen. Japan, China en nu India zijn op de economische ladder gestegen door gebruik te maken van hun overvloed aan arbeidskrachten, die zij door middel van een te lage wisselkoers kunstmatig goedkoop hebben gehouden. Daarentegen kan een land met veel delfstoffen snel rijk worden door die natuurlijke hulpbronnen te exploiteren, zelfs al heeft het ook goedkope arbeidskrachten.

Dit heeft diverse oorzaken. Ten eerste wordt een economie op basis van natuurlijke hulpbronnen eerder gepolitiseerd, doordat bodemschatten worden beschouwd als deel van het nationale ‘erfgoed’, dat uit vreemde handen moet worden gehouden en beschikbaar moet zijn voor politieke doeleinden. Ten tweede leidt een overvloed aan bodemschatten de economische en politieke energie af van het scheppen van rijkdom naar de strijd over de verdeling ervan. De rijkdom ís er al: de vraag is alleen: wie krijgt de zeggenschap over de ‘rente’? Ten derde verzwakt het de roep om democratie, doordat de regering voor de financiering van haar uitgaven minder afhankelijk is van de inkomstenbelasting. Dat werkt een autoritair bestel in de hand. Ten slotte krijgt hierdoor de macht over het grondgebied politieke prioriteit. De ongelijke verdeling van hulpbronnen in een land dat er rijk aan is, kan zowel gebieden met veel hulpbronnen op het idee brengen zich af te splitsen, als gebieden met weinig hulpbronnen doen pogen met dictatoriale middelen de zeggenschap over het hele land te verwerven. In Irak zijn beide krachten aanwijsbaar.

Het postcommunistische Rusland is voor die verleiding bezweken omdat de industrie zo snel ineenstortte en omdat het er niet in geslaagd is de concurrentie ingang te doen vinden die een snelle wederopbouw van de economie mogelijk had kunnen maken.

Dit heeft drie gevolgen. Ten eerste is de Russische economie uitermate gevoelig voor een daling van de olieprijzen. Dat is vooral evident op de beurs, waar de energiesector de overhand heeft. Ten tweede is het Kremlin geneigd de natuurlijke hulpbronnen te beschouwen als nationaal erfgoed, en heeft het daarom buitenlandse investeringen in die sector beperkt. Daardoor is zelfs de energiesector minder productief dan deze zou moeten zijn. Ten derde is er de kwestie van het concurrentievermogen. Sinds 2003 is de roebel, ondanks krachtig ingrijpen van de centrale bank, 15 procent gestegen ten opzichte van de dollar. Volgens de OESO, de organisatie van rijke industrielanden, zijn de voornaamste factoren achter de Russische groei van tijdelijke aard: de winst van de roebeldevaluatie van 1998 is verbruikt, en de groei door de hogere grondstoffenprijzen zal afnemen naarmate de economie minder concurrerend wordt. Een van de oorzaken van die afname van het concurrentievermogen is dat door de toestroom van oliedollars de behoefte aan hervormingen en innovatie minder nijpend is geworden; dat heeft opnieuw de afhankelijkheid van de energie-economie versterkt.

Als gevolg van de overvloedige olie-inkomsten heeft het midden- en kleinbedrijf (mkb) in Rusland een veel kleinere rol in de economische groei gespeeld dan in landen met weinig grondstoffen. De Russische economie is sterk gemonopoliseerd. Staatsbedrijven zijn goed voor 90 procent van de gasproductie; bovendien bezit staatsmonopolist Gazprom alle leidingen naar het buitenland. Daar staat tegenover dat het aandeel van het mkb in het bruto binnenlands product (bbp) nog geen 25 procent bedraagt – het laagste van alle opkomende markteconomieën, waar het doorgaans goed is voor 35 à 40 procent.

Rusland heeft een daling van de olieprijs nodig. En een lagere wisselkoers zou de Russische economie minder afhankelijk helpen maken van energie door de overige sectoren internationaal concurrerender te maken. Soepel zal de overgang niet worden, en ze houdt geen rekening met de wispelturigheid van de oliemarkt. Niemand kan zeggen op welk niveau de olieprijs zal stabiliseren.

Het politieke bestel

De stabiliteit is indrukwekkend. Politieke oppositie is er amper, en 70 procent van de mensen stemt in met Poetin – dat gaat de stoutste dromen van westerse leiders te boven. Stabiliteit is een onmisbaar element in de politieke voorspelbaarheid waar investeerders naar smachten. Maar er is een groot probleem: de opvolging. Wie of wat komt na Poetin? Die vraag zal moeten worden beantwoord vóór de volgende presidentsverkiezingen, begin 2008.

Poetin en zijn plannen blijven ondoorgrondelijk. Is hij marionet of poppenspeler? Volgens Anna Politkovskaja, die voor haar ideeën met haar leven heeft geboet, was hij het toppunt van middelmatigheid: een te hoog bevorderde middenkader-KGB-officier, met ideeën van een geheim agent. Dat is een onderschatting, maar Poetins succes is voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat hij telkens is onderschat.

Zijn postuur is niet indrukwekkend, hij is afkerig van risico’s en hij pot zijn macht liever op dan dat hij ermee smijt. Je kunt je niet voorstellen dat hij op een tank klimt, zoals Jeltsin in 1991. Maar hij wordt in Rusland wél in brede kring bewonderd juist omdat hij niet Jeltsin is, die bij zijn aftreden nog maar de goedkeuring van 5 procent van de bevolking had. Hij is met zijn 52 jaar (relatief) jong, hij is gezond en hij werkt hard. Hij spreekt goed Russisch en hij doorspekt zijn teksten met ruwe grappen, wat de Russen kennelijk graag horen. Hij heeft bovendien in een sinds Stalin ongekende mate zijn autoritaire stempel gedrukt op de regering, zij het meer door consensus dan door een schrikbewind. Hij is geen democraat, maar een tiran is hij evenmin. Hij is in zijn beleid en in het nemen en uitvoeren van besluiten zo coherent opgetreden als de botsende belangen van verschillende groepen en de verwarring over de identiteit van Rusland toelaten, waarbij hij nauwlettend het evenwicht heeft bewaard tussen de liberalen en de conservatieven.

Om te begrijpen waarom de wisseling van de wacht na Poetin waarschijnlijk zo dramatisch wordt, moet men beseffen dat de macht in Rusland altijd nauw verbonden is geweest met bezit. Poetin heeft die band opnieuw gestalte gegeven, in wel zeer opvallende vorm. Sedert zijn aantreden als president heeft Poetin zijn best gedaan om het verticale machtsstelsel te herstellen dat volgens hem, en volgens de meeste Russen, in de jaren negentig jammerlijk was verzwakt. Hij heeft plaatselijke verkiezingen vervangen door benoemde gouverneurs, en supervisie door zeven presidentiële gevolmachtigden.

Op de sleetse communisten na zijn de Russische politieke partijen creaturen van het Kremlin: façades. Premier Michaïl Fratkov is een nul, en de leden van Poetins kabinet tellen slechts mee voor zover zij rechtstreeks toegang hebben tot de president. Hij heeft de financiering van niet-gouvernementele politieke organisaties stopgezet, zich verzekerd van de loyaliteit van de orthodoxe kerk door deze op religieus gebied vrijwel een monopoliepositie te geven, en de onafhankelijke media – nóg zo’n struikelblok voor onbegrensde macht – lamgelegd. Met deze maatregelen heeft hij bewerkstelligd dat de politieke zuil van de verticale structuur ten dienste staat van het Kremlin.

De andere verticale zuil van de macht is de economie, die wordt beheerst door de strategische industrieën. Poetin heeft het corrupte oligarchenkapitalisme van de periode Jeltsin vervangen door een corrupt presidentieel kapitalisme, een patrimoniale mengeling van uitvoerende macht en materiële rijkdom. Poetins opmerkelijkste vernieuwing was echter dat hij de politieke en de economische zuil heeft ingevoegd in het verticale bevelsysteem. Een netwerk van Kremlinmedewerkers en ministers is aangesteld als directeuren of commissarissen van de grootste staatsbedrijven. Vijf Kremlinfunctionarissen staan aan het hoofd van bedrijven die goed zijn voor ten minste een derde deel van het bbp; daarnaast hebben zij hun dagelijks werk als naaste medewerkers van de president.

Deze versmelting van macht en rijkdom vormt de sleutel tot een goed begrip van het Russische bestel. Door deze concentratie van de economische macht heeft Poetin een groot deel van het potentieel voor economische groei uitgeschakeld. En zo komen we terug bij de kwestie van Poetins opvolging. Volgens de Grondwet kan Poetin niet aanblijven, maar gezien het systeem dat hij heeft gecreëerd kan hij niet probleemloos opstappen. Het verraderlijke is nu dat hij volgens de Grondwet voor een derde termijn kandidaat kan zijn, mits er één termijn tussen ligt. Hij kan dus als opvolger een stroman voordragen, iemand die zijn zetel warm houdt – vier jaar lang of korter, als hij om ‘gezondheidsredenen’ aftreedt. De veelgeroemde stabiliteit van het bestel-Poetin hangt dus af van een hoogst onzekere overgang van Poetin naar Poetin.

Een betrouwbare partner?

Sovjet-Rusland heette een eenzijdige supermogendheid te zijn, het postcommunistische Rusland is een eenzijdige grote mogendheid. Het heeft zijn militair-industrieel complex ingewisseld voor een energiecomplex. Dat heeft een einde gemaakt aan de diversificatie van de economie, maar geeft het land wel meer keuze in het buitenlandse beleid.

Dankzij de olie heeft Rusland niet hoeven vaststellen wat zijn nationale belangen zijn, noch de verwarring over zijn identiteit hoeven oplossen; de olierijkdom heeft als een vloedgolf afgerekend met de klassieke disputen over de plaats van Rusland in de wereld – of het westers is of oosters, een land of een wereldrijk, een partner of een tegenpool.

Poetin heeft de kansen die ‘11 september’ hem bood briljant benut. Met voorbijgaan aan de Russische legertop sprak hij zijn steun uit voor Amerika, gaf de Verenigde Staten toegang tot Centraal-Azië, sloot de Russische bases in Vietnam en Cuba, en gaf gehoor aan verzoeken van de Amerikanen om de olieprijs lager te houden dan de OPEC, de organisatie van olielanden, wilde. Dat had de grondslag kunnen worden voor een langdurig partnerschap met het Westen, om de afhankelijkheid van die regio van OPEC-olie te verminderen. Regeringsfunctionarissen van beide partijen begonnen overleg over een ‘strategisch partnerschap’ met de VS, en een ‘energieregio’ die Rusland en de Europese Unie zou verenigen.

Poetin heeft in dat partnerschapsproject veel politiek kapitaal gestoken; dat Rusland het vervolgens heeft teruggebracht tot louter ‘functionele betrekkingen’ komt omdat het is mislukt. Het Westen heeft weliswaar zijn kritiek op het Russische Tsjetsjeniëbeleid iets afgezwakt, maar Rusland heeft geen versnelde kandidatuur voor de Wereldhandelsorganisatie aangeboden gekregen, noch substantiële antiraketovereenkomsten, een veiligheidsrol in de NAVO of het Midden-Oosten, of zelfs maar een echt partnerschap met de EU. Daar komt bij dat een reeks door de VS geïnspireerde – of althans door de CIA gefinancierde – ‘kleurenrevoluties’ in Servië, Georgië en Oekraïne bij Rusland het gevoel heeft versterkt dat het in een isolement zit.

Rusland heeft teruggeslagen door zich samen met Frankrijk tegen de oorlog in Irak te keren, en inzake Iran en Kosovo een eigen, van het Westen afwijkende koers te volgen. Ongeacht wat nog rest van de eens zo hartelijke betrekkingen tussen Bush en Poetin was het een illusie te menen dat de VS samen met Rusland hadden kunnen optrekken inzake Iran, terwijl ze overal elders de Russische invloed terugdrongen.

Het energiepartnerschap met de EU is door dezelfde worsteling om invloed in de knel geraakt. Rusland heeft met zijn energiemacht zijn vroegere vazalstaten eraan herinnerd dat Rusland voor hun toekomst belangrijker is dan de EU. Er bevinden zich in die thans onafhankelijke landen zoveel Russen en Russische hulpbronnen dat de Russen onvermijdelijk enige hoop koesteren om tenminste een deel van hun voormalige imperium te kunnen herstellen.

Dat brengt ons terug naar de vloek van de olie. Die maakt de economie broos, het politieke bestel instabiel en het partnerschap onbetrouwbaar – en maakt tegelijkertijd dat Rusland niet ten volle de gevolgen voelt van Poetins mislukte hervormingen, mislukte democratisering en onvermogen om een realistische lotsbestemming te kiezen.

Robert Skidelsky is emeritus hoogleraar politieke economie aan de universiteit van Warwick (GB). Hij schreef onder andere ‘The State and Economy: Reflections on the Transition from Communism to Capitalism in Russia’. © Prospect magazine