‘Vier de komst van asielzoeker’

Met het generaal pardon alleen is het kabinet er niet, vindt Kees Bleichrodt. „We moeten het talent van hoogopgeleide asielzoekers benutten.”

Den Haag, 15 maart. - Asielzoekers moeten worden ingezet om het tekort aan hoogopgeleid personeel op te vangen. „Waarom actief buitenlandse studenten aantrekken via beurzen als het talent in asielzoekerscentra zit weg te kwijnen?”, vraagt Kees Bleichrodt (53) zich af. Hij is directeur van de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, die vluchtelingen ondersteunt bij hun studie en met het vinden van werk. In het verleden studeerden onder anderen Ayaan Hirsi Ali, schrijver Kader Abdollah, journalist Martin Simek en hoogleraar Halleh Ghoreshi met een beurs van het UAF.

Het kabinet moet het asielbeleid durven aanpassen aan de nieuwe omstandigheden, zegt Bleichrodt. „Nederland is vol, zo luidt het credo sinds Pim Fortuyn, maar inmiddels krimpt de bevolking. We hebben goed opgeleide mensen nodig. In 2010 hebben we volgens het kabinet 75.000 hoogopgeleiden tekort op de arbeidsmarkt. Nu geven we beurzen via bijvoorbeeld het Huygens-programma, dat is bedoeld om kennismigranten te werven. Waarom benutten we het talent van hoogopgeleide asielzoekers niet?”

Het beeld dat bestaat over vluchtelingen zal daarvoor moeten veranderen, vindt Bleichrodt. „We moeten af van het idee dat vluchtelingen niets willen en niets kunnen, want dat is natuurlijk onzin. Asielzoekers zijn vaak zeer ondernemende mensen, echte doorzetters die heel goed weten wat ze willen. Ook spreken ze vaak diverse talen. In een globaliserende economie als de Nederlandse zijn hoogopgeleide asielzoekers dus een enorme aanwinst voor de arbeidsmarkt.”

Investeer in asielzoekers, dat is de boodschap van Bleichrodt aan het nieuwe kabinet. „Om te beginnen in al die mensen die nu onder het generaal pardon vallen. De overheid moet na het verlenen van een permanente verblijfsvergunning zich nu ook inspannen om deze mensen onderwijs te laten volgen en te helpen bij het vinden van een baan. Het UAF heeft dat de afgelopen jaren voor duizenden vluchtelingen gedaan. Eigenlijk zou de overheid ons moeten terugbetalen voor al die studies van vluchtelingen die wij hebben voorgeschoten.”

Bleichrodt geeft toe dat het UAF met de studiefinanciering van asielzoekers zijn eigen afwijkende koers heeft gevaren, vooruitlopend op een langer verblijf van deze vluchtelingen in Nederland. „Maar feit blijft dat wij voor hun studiefinanciering hebben gezorgd en dat is toch een overheidstaak.”

Het kabinet moet volgens Bleichrodt niet alleen steun bieden aan mensen die onder het generaal pardon vallen, ook moet het gaan investeren in de nieuwe asielzoekers die wachten op de behandeling van hun asielaanvraag in Nederland. „Er dient zich alweer een nieuwe groep vluchtelingen aan. Deze mensen mogen nu niets. Niet werken, niet studeren. Volgens VluchtelingenWerk gaat het alweer om duizenden vluchtelingen.”

De Immigratie- en Naturalisatie Dienst wil niet dat deze mensen zich bezighouden met op integratie gerichte activiteiten. Ze kunnen immers elke dag worden teruggestuurd, zo luidt de redenering. Doodzonde, vindt Bleichrodt. „Het kabinet moet de komst van asielzoekers juist vieren.” Het UAF pleit voor het recht van asielzoekers op taalonderwijs vanaf drie maanden en het recht op werk en studie na zes maanden. Bleichrodt zal hierover in de eerste honderd dagen van het nieuwe kabinet in gesprek gaan met de bewindslieden van Onderwijs (Plasterk, PvdA), Sociale Zaken (Aboutaleb, PvdA), Vreemdelingenzaken (Albayrak, PvdA) en Integratie (Vogelaar, PvdA).

„Taalonderwijs is het belangrijkst, daar is iedereen het over eens. Daarbij moeten we proberen zo veel mogelijk maatwerk te leveren. Dat gebeurt nu nog veel te weinig. Hoogopgeleiden moeten een stoomcursus krijgen, geen alfabetiseringscursus. Anders gaan ze zich vervelen en dat werkt averechts. Je moet vreemdelingen aanmoedigen te excelleren. De grote les van de immigratiestromen uit de jaren zestig en zeventig was dat immigranten hier niet tijdelijk zijn. Die mensen blijven. Daarom moeten we ook in hen durven investeren om hen volwaardig te laten deelnemen aan onze maatschappij.”