Polshorloges

Van de Weg af gezien is alles anders. Mijn dorp beschikt dan wel over een eigen slingerstraat, maar die mondt uiteindelijk uit in de Weg. De Weg loopt over een heuvelrug en was in oeroude tijden de hoofdverbinding tussen Coimbra en Salamanca, de twee universiteitssteden. Nu is ze gedegradeerd tot Provinciale Weg, want verderop heeft men iets vierbaansachtigs neergelegd met vangrails en witte strepen. Haar koninklijke heerwegallure heeft ze behouden. De Weg kijkt neer op de dorpen aan weerszijden. Alle slingerstraten van de streek komen er op uit.

Van de Weg af zie je Niemandsdorp aan je voeten liggen, een bundel spikkels en carrés en lichtvlekken in de handpalm van een vriendelijk dal. De Weg heeft je opgetild, zoals een ballon je zou optillen, en al voorbij zwevend zie je mijn dorp als een deel van de grotere wereld. De fiere en zichzelf bedruipende kosmos is een zwak spartelende vlieg geworden in een web van misdaad en vooruitgang.

’t Zou zomaar hoeren en drugs kunnen gaan regenen op Niemandsdorp. Er bestaat werkelijk een buitenwereld. Er bestaan navelstrengen. Pijplijnen. Het dorp ligt er onbeschut bij. De grote Weg onthult dit alles. De idylle blijkt een illusie.

De idylle is het natuurlijke kind van fantasie en zelfbedrog. Hoe meer idylle je wordt voorgetoverd, hoe meer je er donder op kunt zeggen dat het ondergronds rommelt en stinkt.

Ik kijk uit het raam van mijn werkkamer – die een zenuwcentrum moet verbeelden, al weet ik niet van welk lichaam – en ik zie heel in de verte de Weg. Hoog en trillend in de zon. Ik kijk ernaar, zoals het jongetje binnenin Michiel de Ruyter ooit keek naar de einder van de oceaan. Daarachter gebeurt het, onzichtbaar voor het oog.

Michieltjes jongenshart.

Een kilometer of wat verderop aan de Weg ligt het restaurant waar Paulo altijd kwam. Paulo is een van de aannemers uit mijn dorp. Elk dorp van honderd zielen kent zeker vijf aannemers. Paulo nam ooit een clandestien Braziliaans hoertje mee naar huis, waarop het hoertje de politie belde om te zeggen dat Paulo een vrouwenronselaar was. Nu zit Paulo in de gevangenis en heeft het hoertje een voorlopige verblijfsvergunning. De precieze details weet ik niet. ’t Is een iets ingewikkelder geschiedenis.

Het restaurant heet De Kantine van de Weemoed. Vaak als ik er kwam zat Paulo er, in het gezelschap van aannemers uit andere dorpen. Ze gebaarden of ze iets aan het bekokstoven waren. De kantine was in die dagen een populair restaurant. Ten eerste omdat het werd gedreven door een Braziliaan, wat het cachet verleende, want Brazilianen komen van ver en zijn van God los. Ten tweede omdat er in de winter een kachel snorde, een heuse kachel met een pijp en een kolenschuif. In andere restaurants zaten de gasten in winterjassen om de tafel, maar alleen in De Kantine van de Weemoed was het warm. Wat de aanwezige aannemers niet verhinderde hun leren jacks aan te houden.

Macht der gewoonte.

De Braziliaanse eigenaar schoof altijd bij Paulo en zijn makkers aan. Iedere keer opnieuw moesten ze zijn horloges bewonderen, één om zijn linker- en twee om zijn rechterpols.

Gerrit Komrij