Patiënt slecht af met één zorgwet

De laatste tijd wordt aangedrongen op weer nieuwe wetgeving op het terrein van de gezondheidszorg. Ditmaal roept men, de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) voorop, om een zorgconsumentenwet.

Telkens wanneer misstanden in de gezondheidszorg aan het licht komen, zoals onlangs toen de Inspectie voor de Gezondheidszorg vaststelde dat het met de medische dossiervoering in Nederland goed mis is, grijpt men de gelegenheid aan om te pleiten voor een wet waarin ondubbelzinnig moet zijn vastgelegd wat de geboden kwaliteit van zorgverlening is en wie waarop aanspreekbaar is. Als idee is een zorgconsumentenwet sympathiek, als beleidsvoornemen weinig minder dan een ramp.

Afgaand op de reacties die het Inspectierapport losmaakte, en de roep om overheidsmaatregelen die daarin overheerste, zou men geneigd zijn te denken dat de wetgever heeft liggen slapen. Niets is minder waar. De verplichting tot zorgvuldige dossiervoering ligt reeds geruime tijd wettelijk vast. Wie daarop kan worden aangesproken is wettelijk ook duidelijk genoeg: de hulpverlener.

Met de overige rechten van burgers op het terrein van de gezondheidszorg is het niet anders gesteld. Weliswaar zijn ze niet allemaal in één fraaie integrale wet opgetekend, maar wettelijk vastgelegd zijn ze wel. Dat deze rechten momenteel een versnipperde aanblik bieden, is niet alleen historisch verklaarbaar, juridisch is deze stand van zaken ook zeer goed verdedigbaar.

Maar er speelt nog iets. Patiëntenrechten als de verplichting tot zorgvuldige dossiervoering zijn al meer dan tien jaar geheel en al wettelijk vastgelegd. Patiënten en hun hulpverleners kunnen daarvan niet afwijken. Wat de wetgever destijds niet gedaan heeft, en ook niet heeft kunnen doen, is alles in detail regelen. De wetgever mist de expertise om voor alle hulpverleners één uniforme wijze van dossiervoering voor te schrijven.

De precieze invulling van deze verplichting heeft hij overgelaten aan degenen die verondersteld worden wel te weten aan welke eisen een goed medisch dossier voldoet: de hulpverleners zelf. Het inspectierapport voert tot de droevige vaststelling dat dezen er in al die jaren niet in geslaagd zijn landelijk afspraken te maken en na te komen.

Begin jaren ’90 heeft de overheid op aandringen van alle betrokken partijen (zorgaanbieders, zorgverzekeraars, patiëntenorganisaties) een stap teruggedaan als kwaliteitsbewaker. Ontwikkeling van kwaliteitsnormen, toezicht en handhaving werden aan het veld zelf overgelaten. Daar waren destijds goede redenen voor, en die zijn er nog steeds. Het veld bezit immers de deskundigheid. Kwaliteitsnormering door de hulpverleners zelf komt ook de naleving ten goede. Bovendien is het veld zelf eigenlijk het best toegerust om op die naleving toe te zien en stappen te ondernemen wanneer het daaraan schort.

In deze filosofie beperkt de overheidsbemoeienis zich tot het stellen van globale normen en ingrijpen wanneer partijen zelf tekortschieten. In de kwestie van de dossiervoering heeft de overheid precies gedaan wat zij moest doen, en kon doen. Het veld is tekortgeschoten, niet de overheid.

De huidige wetgeving volstaat, waar het aan schort is de naleving. Het veld neemt zijn verantwoordelijkheden onvoldoende op. Een nieuwe wet lost dat probleem niet op, terwijl de juridische duidelijkheid die er nu wel is, erdoor wordt weggenomen.

De NPCF heeft de nieuwe rol van de overheid destijds zelf gewild. Ook in de recente debatten over stelselherziening heeft zij consequent een meer afstandelijke rol van de overheid bepleit. Het wordt tijd dat ook de NPCF zich naar de filosofie voegt en zich wendt tot die partijen die werkelijk wat kunnen doen aan de kwaal die men met de voorgestelde wet bedoelt te verhelpen. En dat is niet de overheid. Een consumentenrechtenwet is wel het laatste waar de gezondheidszorg momenteel op zit te wachten.

Martin Buijsen is universitair hoofddocent gezondheidsrecht aan het Erasmus Medisch Centrum/Erasmus Universiteit Rotterdam.