Overblijf op school is juist verslechterd

De officiële overblijfregeling voor kinderen op school is een achteruitgang vergeleken met het vroegere ‘gedoogbeleid’. Regel dit nu eens goed, er is zoveel te winnen, schrijven Rineke van Daalen en Ewald Engelen.

Nederland krijgt een Minister voor Jeugd en Gezin. Daarmee lijkt het kabinet te erkennen dat de Nederlandse overheid gezinnen onvoldoende ondersteunt. Kinderen krijgen en opvoeden is niet uitsluitend een individuele keuze, maar gaat de hele samenleving aan. Dat Nederlandse politici dat eindelijk beseffen, juichen wij toe. Wij vrezen echter dat de zorg van de overheid voor onze kinderen de slonzigheid zal houden die zij nu heeft als dat niet gepaard gaat met meer aandacht voor kwaliteit.

Neem de overblijfregeling op school, een vaak miskende, maar o zo belangrijke schakel in de dag van een kind. Tot voor kort waren ouders volledig verantwoordelijk voor de organisatie ervan. De Wet primair onderwijs stipuleerde slechts dat de school adequate huisvesting moest bieden. Door de sterk gestegen arbeidsparticipatie van moeders was de gegroeide praktijk dat de overblijfcommissie het overblijven organiseerde, dat ouders betaalden, dat betaalde ‘vrijwilligers’ zorgden, dat schoolbesturen zich nauwelijks bekommerden om deze zwarte ‘bedrijfjes’, en dat fiscus en sociale dienst een oogje toeknepen. Het spreekt voor zich dat de kwaliteit en stabiliteit van de overblijf hierdoor op zijn zachtst gezegd wisselvallig waren. Bovendien viel deze ‘grijze’ situatie slecht te rijmen met de overheidsdoelstelling om de knelpunten tussen zorg en arbeid weg te nemen.

Vandaar dat onder ouders enig gejuich opklonk toen minister Van der Hoeven medio 2003 aankondigde dat zij hier wat aan zou doen. Sinds augustus 2006 is de verantwoordelijkheid voor de overblijf wettelijk bij de schoolbesturen komen te liggen. De hoop was dat de overblijf, tegen een lichte verhoging van de bijdrage, daardoor professioneel zou worden. Maar de afwezigheid van geld en kwaliteitseisen wekte van meet af aan argwaan. Ouders droegen dan weliswaar niet langer de eindverantwoordelijkheid, maar ze bleven wel verantwoordelijk voor de financiering. Bovendien mochten de scholen zelf beslissen hoe ze de overblijf zouden organiseren: zelf, door ouders, of uitbesteden aan derden.

Onderzoek leert dat veel scholen, vooral in de grote steden, hebben gekozen voor uitbesteding aan welzijnsinstellingen. Als gevolg daarvan zijn de kosten met gemiddeld 0,50 euro per kind per dag toegenomen. Minder is bekend over de kwaliteit. Berichten van ouders, schooldirecties en overblijfkrachten suggereren echter dat de kwaliteit sinds augustus 2006 op veel scholen is gedaald. Voornamelijk door uitval, toegenomen mobiliteit, en de matige pedagogische capaciteiten van de overblijfkrachten. Kinderen klagen over meer onrust en minder houvast biedende routines. Leerkrachten klagen over lastiger kinderen en over vreemde gezichten in gangen. Directeuren klagen over warrige contracten, gebrekkige informatie en geen vaste aanspreekpunten. Sommige ouders hebben daarom het heft in eigen hand genomen en verzorgen bij toerbeurt de overblijf, daarmee terugkerend naar de praktijk van de jaren zeventig.

Al met al moet worden geconstateerd dat de verbetering van de overblijf heeft geleid tot een verslechtering. In een poging om de ‘zwarte’ overblijf te ‘witten’ heeft de fiscus zijn vroegere gedoogbeleid stopgezet. Voor veel oude overblijfkrachten was dat reden om op te stappen.

De ironie wil dat veel van deze mensen nu net de afgelopen jaren cursussen hebben gevolgd, gefinancierd door het Ministerie van OC&W. Door de strengere controle van fiscus en sociale dienst zijn deze mensen massaal de school uitgejaagd; de vacante posities zijn ingenomen door ongeschoolde manusjes-van-alles afkomstig uit de kaartenbakken van de welzijnsinstellingen. Oftewel, de ‘verbeterde’ overblijf van na augustus 2006 is een minder professionele overblijf. Bovendien is dit een fraai staaltje van verspilling van publieke middelen.

Ook ironisch is dat er steeds meer belang wordt gehecht aan veiligheid op scholen — ook de onderwijsinspectie heeft veiligheid onlangs aan haar beoordelingscriteria toegevoegd — terwijl er sinds augustus allerlei ‘vreemden’ in het schoolgebouw ronddwalen, die bovendien niet of nauwelijks zijn ‘gescreend’. Wat vreemd afsteekt bij de wens om van vrijwilligers die met kinderen werken, een bewijs van goed gedrag te eisen.

Dat roept de vraag op wat Den Haag met de overblijfregeling voorheeft. Er zijn twee mogelijke antwoorden. Ten eerste zou de achteloosheid waarmee politiek Den Haag met de overblijf omgaat een uiting kunnen zijn van de al vaker geboekstaafde Haagse neiging om de wereld te reduceren tot de papieren werkelijkheid van nota en wetboek, en zich weinig gelegen te laten liggen aan de uitvoering.

Wij menen echter dat de echte verklaring dieper ligt. De nonchalance rond de overblijf past namelijk naadloos in een diepgewortelde ‘zelfzorgideologie’. Daarin wordt het krijgen van kinderen eerst en vooral als een privézaak beschouwd, die primair aan de ouders toevalt. Over de voor- en naschoolse arrangementen wordt in dat discours slechts in termen van ‘opvang’ gesproken. Daarin staan controle, toezicht en disciplinering centraal en is maar mondjesmaat aandacht voor de emotionele, culturele en lichamelijke vorming van kinderen. Naar het zich laat aanzien zal het met de Wet Van Aartsen/Bos niet anders gaan. Die verplicht scholen ertoe om vanaf augustus 2007 kinderen tussen 7.30 en 18.30 opvang te bieden. Ook hier ontbreken kwaliteitseisen en adequate financiering. De boodschap is dat kinderen ons als gemeenschap weinig waard zijn en dat ouders zelf maar moeten uitzoeken hoe ze hun problemen oplossen.

Zeker in het licht van de integratie- en ontgroeningskwesties waar Nederland voor staat, valt dat te betreuren. Sluitende dagarrangementen kunnen kinderen van verschillende achtergronden de mogelijkheid bieden zich zoveel mogelijk cognitief, emotioneel, cultureel en lichamelijk te ontwikkelen. Ook de WRR pleit er in zijn recente rapport De verzorgingsstaat herwogen (2006) voor om de arrangementen voor en na school te gebruiken voor dit type brede ontwikkeling. Daarmee kunnen vier vliegen in één klap worden geslagen. Ouders kunnen makkelijker zorg en werk combineren, kinderen met leerachterstanden krijgen meer mogelijkheden om die in te halen, ontwikkelingskansen worden eerlijker tussen kinderen verdeeld, en er ontstaan meer mogelijkheden om verschillende bevolkingsgroepen met elkaar te ‘verbinden’.

Uiteraard vereist dat betere faciliteiten, hoger geschoolde krachten, en dus geld. Doordat deze investeringen bijdragen aan een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen, een eerdere diagnose van opvoedings- en ontwikkelingsproblemen en een betere preventie van ‘uitval’ gedurende de latere schoolcarrière (allemaal kostenposten), zijn goede redenen om te menen dat dit renderende investeringen zijn.

Het is ongewis of het nieuwe kabinet deze handschoen opneemt. Een minister voor Jeugd en Gezin lijkt een stap in de goede richting, maar de institutionele scheiding tussen scholing en opvang blijft helaas bestaan.

Moeders zullen de ketenen van de typisch Nederlandse ‘zelfzorgideologie’ pas afwerpen, wanneer de kwaliteit van de opvang is gewaarborgd. En dat betekent dat de bestaande arrangementen moeten worden getransformeerd in kwalitatief hoogstaande publieke voorzieningen waar middenklasse ouders hun kinderen met een gerust hart naartoe sturen.

Rineke van Daalen is socioloog aan de Universiteit van Amsterdam en heeft op verschillende basisscholen als overblijfkracht gewerkt. Ewald Engelen is als financieel geograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de medezeggenschapsraad van de 9de Montessorischool De Scholekster in de Amsterdamse Pijp.