Het publiek wil liever lachen ‘Op toneel draai ik verlies’

Het regent oproepen voor een beter theaterbestel. Een korte serie over oorzaken en oplossingen van de crisis. Deel 1: waarom boeken de schouwburgen steeds minder toneel?

De schouwburg is er voor toneel, zou je denken. Maar de grote theaters, zeker in de provincie, programmeren liever cabaret, musical, shows en een avond met Rob de Nijs, want daar komt tenminste volk op af. Voor gesubsidieerd kunsttoneel loopt de zaal niet meer vol.

Neem Venray. „Van de 130 voorstellingen in ons seizoen zijn er tien tot twaalf toneel”, zegt Anne-Christine Liebrand, directeur van de Venrayse schouwburg. En die verhouding staat verder onder druk, zegt ze. „Zelfs voor The Sunshine Boys, een toegankelijk stuk met humor van Mini en Maxi uit de ongesubsidieerde vrije sector, komen hoogstens driehonderd mensen opdagen. Dat is niet meer dan een halve zaal.”

Het aandeel gesubsidieerde podiumkunsten (toneel, orkesten, opera, dans) is in de programmering van de schouwburgen en concertzalen teruggelopen van 18 procent in 2001 tot 13 procent vorig jaar, becijferde de schouwburgenkoepel VSCD. Als het toneel daarvan een kwart vormt, heeft het een aandeel van minder dan 4 procent. De VNT, waarin de toneelgezelschappen zijn verenigd, gaat, iets positiever, uit van krap tien procent. „Nee meneer, we hebben al een toneelstuk dit seizoen”, was het symptomatische antwoord van een schouwburgdirecteur toen het Onafhankelijk Toneel de voorstelling Vallende ster, naar het boek van Bernlef, trachtte te verkopen.

Hoe je ook rekent, het publiek voor gesubsidieerd toneel krimpt. Zeker als je het afzet tegen de stijgende belangstelling voor de andere podiumkunsten, die groeide van 11,4 miljoen bezoekers in 2004 naar 12,4 miljoen vorig jaar.

Dat het gesubsidieerde toneel en de theaters elkaar steeds moeilijker vinden heeft een simpele oorzaak, zegt Jaap Jong van de VNT. De gezelschappen worden gesubsidieerd door het Rijk, en worden afgerekend op vernieuwing en artistieke kwaliteit. Maar schouwburgen worden betaald door de gemeenten en worden afgerekend op de ‘kijkcijfers’.

Dit seizoen regent het voorstellen van theatermakers en gezelschappen om het bestel te veranderen. Het eerste schot voor de boeg kwam van Ivo van Hove, leider van Toneelgroep Amsterdam, die toneelopleidingen en kunstbestuurders verweet „in een tijd van algemene versloffing” en gebrek aan leiding een „ad-hocbeleid zonder visie” te voeren, waarin „begrippen als vernieuwing, engagement en elite mummies zijn geworden”.

[Vervolg TONEELCRISIS: pagina 11]

‘Op toneel draai ik verlies’

Daarna waarschuwde een commissie onder leiding van oud-minister van Cultuur d’Ancona tegen de versnippering van het toneelbestel, gevolgd door de oproep van de grote gezelschappen om te komen tot acht stadsgezelschappen voor podiumkunsten zonder ‘reisplicht’. Langs die lijnen adviseerde de Raad voor Cultuur vervolgens vorige week de nieuwe minister van Cultuur, Ronald Plasterk, die op zijn beurt moet pogen bezuinigingen te koppelen aan artistieke kwaliteitseisen. De minister heeft onder meer gezegd dat meer ‘prijsdifferentiatie’ nodig is en dat schouwburgen daartoe het schellinkje – de traditionele goedkoopste rang – weer moeten invoeren.

„Er zijn de laatste jaren enorm veel schouwburgen bijgebouwd – het zijn er nu 126 – maar na de bouw heeft de gemeente doorgaans geen geld meer over voor een programmeringsbudget”, zegt VNT-man Jong. „De schouwburg is een duur gebouw op het duurste stukje gemeentegrond, dus wil de gemeente daar niet nog meer geld in storten. De schouwburg moet dus altijd vol zitten om zichzelf te kunnen bedruipen, dus programmeert de directeur liever wat anders, dat wél marcheert.’’

Terug naar Venray. Vrijwel alle toneelstukken daar komen uit de vrije sector, waar uit lijfsbehoud de wetten van het vermaak strenger worden nageleefd. Gesubsidieerd toneel is vrijwel afwezig: „We boeken wel trouw Het Vervolg uit Maastricht, omdat het een groep uit onze provincie is. Maar daar komen twintig tot veertig man op af”, zegt directeur Liebrand.

Net als de meeste schouwburgen werkt Venray met een partage-systeem: de opbrengst van de kaartjes wordt verdeeld onder het gezelschap (zo’n tachtig procent) en het theater. Doorgaans wordt een garantiesom voor het gezelschap afgesproken, met in Venray een ondergrens van 2.000 euro en als bovengrens ongeveer 12.000 euro. Daardoor voelt het gezelschap weinig van een lege zaal. De schouwburg draait er voor op.

Liebrand: „Dat ik op toneelavonden verlies draai, calculeer ik in. Het verlies maak ik goed met de cabaret- en musicalavonden.” Want de hoge bedragen die musicalproducenten vragen berekent Liebrand door in de kaartjes. Omdat een musical als Grease gegarandeerd vol zit is het voor alle partijen aantrekkelijk.

Is toneel wel eens uitverkocht? Liebrand: „Zeker wel. Als Jon van Eerd komt met een klucht. Of Zeg ’ns Aaa. De mensen willen amusementszekerheid: zeker weten dat ze een leuke avond hebben.”

Morgen, in deel 2: Hoe toneel en publiek elkaar kwijtraakten.

Volg de discussie over de toneelcrisis op nrc.nl/kunst

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Het publiek wil liever lachen (15 maart, pagina 1 en 11) staat dat toneelgroep Het Vervolg „twintig tot veertig” bezoekers trekt in de schouwburg van Venray. Dat had betrekking op het verleden. Inmiddels is hun aantal opgelopen tot 200 à 300.