Europa als tovenaarsleerling

Vorige week heb ik met instemming geciteerd uit het artikel in M, het maandblad van deze krant, van de historicus H.L. Wesseling over vijftig jaar Europa. Het was een vrij genadeloze analyse: de verdieping, in de zin van een steeds verder gaande integratie, is een mislukking geworden. Het Europa van nu is het Europa der staten. De Gaulle en Thatcher hadden gelijk – allemaal opvattingen waarvoor je nog niet zo lang geleden in de buitenste duisternis uitgeworpen werd.

Maar het akkoord van vrijdag dan, toen de regeringsleiders van de 27 EU-lidstaten het eens zijn geworden over de aanpak van de klimaatverandering? Is dat geen doorbraak? Het hangt allemaal van de uitvoering af. Tot dusver is het niet meer dan een symbolische stap. Waarschuwend voorbeeld is Lissabon 2000, toen de EU zichzelf beloofde binnen tien jaar de „meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld” te worden. Wat is daarvan terechtgekomen? De kloof met Amerika is alleen maar groter geworden.

Maar terug naar Wesseling. Hoezeer ik het ook eens was met zijn analyse (ook wel omdat zij bevestigde wat ik altijd al beweerd had), achter zijn blik op de toekomst zet ik een paar vraagtekens. Europa mag, zegt hij, een Europa der staten zijn, die staten zijn vrij nieuw, meestal in de negentiende eeuw geconstrueerd. Algemene dienstplicht en onderwijs waren de middelen waarmee de huidige natiestaten werden gesmeed.

Welnu, als de Europese naties producten zijn van wil en verbeelding, dan is het volgens Wesseling ook niet onmogelijk om een andere gemeenschap te willen en te bedenken, de Europese. En hij doet enkele interessante suggesties, uitgaande van het feit dat de functie van de natiestaat sowieso afneemt, als gevolg van hetzij ‘Europa’ hetzij de mondialisering. Hij noemt dit proces ‘onomkeerbaar’.

Hier zette ik al mijn eerste vraagteken. Ik ben geen historicus. Daarom is het misschien boud van mij de vraag te stellen of onomkeerbaarheid een historisch begrip is. Nog klinken mij de zelfverzekerde betuigingen van de marxisten in de oren dat het proces van socialisering dat zij in gang hadden gezet, onomkeerbaar was. En wat is er van terechtgekomen? Een economisch en moreel bankroet – tenzij ze, als de Chinezen, een wildwestkapitalisme omhelzen.

Het kan zijn dat, zoals Wesseling zegt, de nationalistische ideologie veel van haar aantrekkingskracht heeft verloren, maar dat geldt dan voornamelijk voor enkele landen – niet eens alle – van West-Europa. Elders tiert zij nog welig. Bovendien heeft het nationalisme in West-Europa een andere vorm aangenomen. Zo is de nationale mythe die in de negentiende eeuw geschapen is, grotendeels gebleven. In Nederland en de Scandinavische landen wordt die mythe door het koningshuis belichaamd, en dat is vrijwel onaantastbaar. In een land als Frankrijk is het de mythe van de Franse Revolutie, door links en rechts eveneens onaantastbaar verklaard (dat de werkelijkheid er nogal anders uitzag, is eigen aan de mythe).

Die mythe, die iedere natie koestert – het huidige Duitsland en België zijn misschien uitzonderingen – is een geweldige barrière voor elke integratie. Maar zij is niet de enige barrière. De negentiende-eeuwse natiestaat is namelijk in de twintigste eeuw aanzienlijk sterker geworden naar binnen toe, want hij is, onder gejuich van sociaal- en christen-democraten en gesputter van liberalen, verzorgingsstaat geworden.

De verzorgingsstaat nu heeft zich tot een geweldig bolwerk ontwikkeld. Kon de natiestaat oorspronkelijk bij het volk loyaliteiten kweken door mythevorming – in Nederland: God, vaderland en Oranje –, door verzorgingsstaat te worden, kweekte hij daarbovenop materiële loyaliteiten, berustend op belangen. Het is de ironie van de geschiedenis dat de socialisten, die het internationalisme in hun vaandel hadden geschreven, zich, door hun steun aan de verzorgingsstaat, ontpopt hebben tot de grote verdedigers van de natiestaat.

De belanghebbenden bij de verzorgingsstaat – en dat zijn wij allemaal – huiveren daarvan iets in handen te geven aan een internationaal of supranationaal orgaan, dat hun minder vertrouwd is en waarop zij minder greep hebben dan hun eigen, nationale staat. Die belanghebbenden kunnen heel goed tegelijkertijd vurig voorstander zijn van Europese integratie. In dat geval beseffen zij niet dat zij met zichzelf in tegenspraak zijn.

In een recent essay wijst René Cuperus, verbonden aan de Wiardi Beckman Stichting, op een andere paradox: door haar uitbreiding (27 leden!), de neoliberale muntunie, de ‘grondwet’, haar technocratische centralisatie en regelgeving wekt de EU „sterke nationale tegenkrachten op en produceert zij nu, als een tovenaarsleerling, het nationalisme dat zij bestemd was te overstijgen”.

Ook de democratie zou ik kunnen noemen als struikelblok op weg naar Europese integratie. Regeringen worden door een natie gekozen, voelen zich dus in de eerste plaats verantwoording verplicht aan die natie. Krijgt die natie op een goed ogenblik, om welke reden dan ook, de kolder in de kop – denk aan Pim Fortuyn en zijn opvolgers (van welke pluimage dan ook) – dan kan het kabinet dat niet simpelweg negeren. Ook het Nederlandse neen van 1 juni 2005 was een democratische uitspraak – die de Europese integratie blokkeerde.

Nee, eurosceptici – die niet noodzakelijkerwijs eurohaters zijn – hebben vooralsnog helaas geen reden van hun analyse af te stappen en de Europese toekomst met optimisme tegemoet te zien. Hebben zij met hun scepsis dit proces bevorderd? Een gerechtigde vraag! Maar wie dat denkt, overschat toch hun politieke invloed.