De slappe lach

In deze Boekenweek van de humor zal de naam van Franz Kafka weinig vallen. Een humoristische schrijver zou ik hem ook niet graag willen noemen, wél een schrijver die met een ijzig soort geestigheid de wereld beschouwt. Een verhaal als In de strafkolonie, waarin hij de werking van een martelmachine beschrijft, is in al zijn bizarre gruwelijkheid ook een bitterkomische aanklacht tegen de mensheid.

Toch had ik niet verwacht dat ik uitgerekend bij Kafka een volmaakte beschrijving zou tegenkomen van het verschijnsel ‘de slappe lach’. Die beslaat zelfs ruim drie pagina’s en is te vinden in zijn Brieven aan Felice (1912-1913). Op 8 en 9 januari 1913 schrijft hij aan zijn vriendin Felice dat hij twee jaar eerder met twee collega’s een bezoek moest brengen aan zijn hoogste baas, de president van de verzekeringsmaatschappij waarvoor hij werkte. Kafka en zijn collega’s hadden promotie gemaakt en moesten, „plechtig in het zwart gekleed”, de president daarvoor bedanken.

Kafka schrijft: „De president luisterde toe in zijn gewone, voor plechtige gelegenheden gekozen, enigszins aan de audiëntiehouding van onze keizer herinnerende, feitelijk (…) oerkomische houding.”

Kafka krijgt kleine lachbuien, die hij nog als hoestbuien kan maskeren. (Kafka was niet alleen een groot schrijver, maar ook een groot hoester.) Als de president aan een „door zware borsttonen begeleide, totaal zinloze en ongemotiveerde toespraak” begint, houdt Kafka het niet langer. Waarschuwende blikken van een collega maken het alleen maar erger.

Eerst moet hij overdreven hard lachen om de grapjes van de president, vervolgens schatert hij het uit en weet niemand meer waarom hij lacht. „Er trad een algemene verlegenheid op.”

Het wordt nog veel genanter als ook een van zijn collega’s opgewonden aan een „een kleine, geheel onverwachte toespraak” begint. Kafka: „Toen hij dus nu met levendige gebaren iets (in het algemeen en hier in het bijzonder) kinderachtigs uitbracht, werd het mij te veel, de wereld die ik tot nu toe altijd schijnbaar voor ogen had gehad, verging totaal voor mij en ik barstte in zo’n luid, niets ontziend lachen uit als het misschien in deze uitbundigheid alleen maar leerlingen van de lagere school in hun schoolbanken is gegeven.”

Terwijl Kafka giert van het lachen, met knieën die „beefden van angst”, beginnen ook zijn collega’s royaal mee te lachen. De president zit er ontredderd bij en maakt met een korte zin een einde aan het gesprek. „Toen verliet hij ons haastig. Onoverwonnen, geweldig lachend, maar doodongelukkig, strompelde ik als eerste de zaal uit.”

Kafka ziet zich genoodzaakt een excuusbrief te schrijven, maar hij beseft dat hij geen ‘totale vergiffenis’ zal krijgen. „Maar dat komt er niet erg op aan”, schrijft hij aan Felice, „misschien heb ik het toen alleen gedaan om jou later eenmaal te kunnen bewijzen dat ik kan lachen.”

De mechanismen van de slappe lach, die Kafka hier beschrijft, zijn van alle tijden. De futiele aanleiding, die in geen verhouding staat tot de uitzinnige reactie, de averechtse uitwerking van de waarschuwing, het snelle verlies van controle over zichzelf en ten slotte de algehele bezwijming. De slappe lach als één grote kettingreactie van hilarische impulsen.

En wat ik vooral herkende: die lagere school. Nooit heb ik slapper gelachen dan daar.