Waanzin als Europese werkelijkheid

Slaat in Brussel de waanzin toe of is het, ernstiger, alledaagse werkelijkheid in de EU? Kinderveilige wegwerpaanstekers. Sinds deze week van Lissabon tot Tallinn verplicht.

Schaterlach aan de andere kant van de lijn. „De wat?” De vraag gaat over de invoering van kinderveilige wegwerpaanstekers. Of er iemand op het Haagse departement iets naders over deze Europese regeling kan vertellen. Nadat de secretaresse ervan overtuigd is dat het echt geen grap betreft, gaat zij op zoek.

Europa beslist en beschikt, elke dag weer. Over grensoverschrijdende fusies, over terrorismebestrijding en dus ook over wegwerpaanstekers. Sinds deze week is het fabrikanten in de hele Europese Unie, van Lissabon tot Helsinki en van Dublin tot Tallinn, verboden nog langer wegwerpaanstekers op de markt te brengen die niet aan de kinderveiligheidseisen voldoen. Over een jaar is het verbod compleet, als de detailhandel dit product ook niet meer mag verkopen.

Of men in Brussel waanzinnig geworden is, vroeg de Beierse deelstaatminister Müller zich vorig jaar oktober af in het regionale parlement toen zij beschikking C(2006) 1887 van de Europese Commissie uit de stapel hamerstukken had gevist. „Je reinste flauwekul”, noemde ze de kinderveilige aansteker. Dat aanstekers niet in kinderhanden thuishoren wist iedereen. Dan hoefde er toch geen speciale wettelijke regeling voor kinderveilige aanstekers gemaakt te worden, zei ze.

De door de EU goedgekeurde aansteker. Oftewel een wegwerpaansteker die iets meer kracht vergt, zodat „kinderen jonger dan 51 maanden” – zoals de EU-beschikking voorschrijft – de aansteker geen vlam kunnen laten vatten. Doorgeschoten Brusselse bemoeizucht of de Europese werkelijkheid van alle dag? De maatregel is de EU ten voeten uit: een combinatie van goede bedoelingen resulterend in onnavolgbare regelgeving veroorzaakt door de wetten van de interne markt die hun eigen logica hebben en onwetendheid bij politici uit de lidstaten over wat er mede namens hen is afgesproken.

Begin vorig jaar stelde het Tweede Kamerlid Koopmans (CDA) de zaak aan de orde tijdens een overleg met toenmalig minister Zalm van Financiën (VVD). Of het waar was dat de Europese Commissie kindersloten op de wegwerpaanstekers verplicht wilde stellen. „Komt er dan ook een kinderslot op luciferdoosjes?” vroeg Koopmans. Zalm stelde het Kamerlid ter plekke gerust. „Een kinderslot op een aansteker ligt niet voor de hand”, zei hij. Zalm zat er met deze mededeling naast. Want in werkelijkheid was reeds drie weken eerder de beschikking in Brussel afgekondigd, die dan tien maanden later in Europa in werking pleegt te treden.

Waarmee het allemaal begint, is de vraag of er een wegwerpaanstekerprobleem is? Wel degelijk, aldus Europees Commissaris voor Volksgezondheid en Consumentenaangelegenheden Kyprianou begin vorig jaar. Gemiddeld zo’n 34 tot 40 mensen, hoofdzakelijk kinderen, komen jaarlijks om het leven door branden veroorzaakt door kinderen die met onveilige aanstekers spelen, zei hij. Bart van Geenen, manager van het in Valkenswaard gevestigde Swedish Match, een van de drie grote producenten in Europa van wegwerpaanstekers, nam vorig jaar met verbazing kennis van deze aantallen. Hem was tot dan toe nog nooit iets ter ore gekomen over branden of doden. „Cijfers uit één land, Groot-Brittannië, zijn geëxtrapoleerd”, zegt hij.

Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn in elk geval voor Nederland verre van alarmerend. In de periode 1990-1995 werd één dode per vier jaar geconstateerd als gevolg van kinderen die met vuur hadden gespeeld. In de jaren daarna was sprake van een verder dalende tendens van dit soort ongelukken.

Maar de Commissaris had zijn misstand die om een oplossing schreeuwde. Hij kon daarbij verwijzen naar de VS waar de kinderveilige aanstekers al sinds 1995 zijn voorgeschreven. Hij riep de lidstaten op de Commissie te steunen in haar plan. „Voor niet meer dan 4 cent per aansteker kan het leven van een kind worden gered. Is dit te veel gevraagd”, aldus Kyprianou.

En inderdaad, wie kan daarop tegen zijn? Iemand die vindt dat niet elk eventueel probleem moet worden gepareerd met gedetailleerde regelgeving uit Brussel. Zoals bijvoorbeeld de Beierse minister Müller. Het staat zo onschuldig in de beschikking. Een ‘kinderveiligheidstest’ moet uitsluitsel geven of een wegwerpaansteker al dan niet aan de nieuwe eisen voldoet. Maar wat houdt nu zo’n „systematisch uit te voeren” test in?

Het blijkt te gaan om testpanels van honderd kinderen uit zorgvuldig opgebouwde leeftijdscategorieën van ten hoogste vier jaar en drie maanden oud, die in twee pogingen de aansteker aan moeten zien te krijgen. Na vijf minuten wordt de test herhaald. In totaal moeten de aanstekers op vijf verschillende plaatsen uitgeprobeerd worden. Lukt het in minstens 85 procent van de gevallen niet de aansteker aan te krijgen, dan is de aansteker kinderveilig.

Met echte aanstekers worden de tests overigens niet uitgevoerd. Het gaat om surrogaatproducten waarbij in plaats van een vlam een lichtje gaat branden of een geluidssignaal klinkt. Het is allemaal „schrijftafelwijsheid die niets meer met de werkelijkheid van doen heeft”, oordeelde Müller.

Los daarvan, áls er iets geregeld moet worden, waarom moet Brussel dit dan doen en wordt het niet overgelaten aan de afzonderlijke lidstaten? Dit was ook de kern van vragen die het Tweede Kamerlid Van Bommel (SP) vorig jaar stelde aan toenmalig minister Hoogervorst van Volksgezondheid (VVD). Was deze niet met hem van mening dat een voor de hele Europese Unie geldende regeling niet in overeenstemming was met de regels voor subsidiariteit en proportionaliteit? Nee, antwoordde de bewindsman enkele weken later. Een door de EU opgelegde regeling was gerechtvaardigd omdat de lidstaten het onderling niet eens konden worden over de manier waarop het gevaar van kinderonveilige aanstekers aangepakt diende te worden. Voor Nederland had wetgeving bijvoorbeeld helemaal niet gehoeven, wegens het ontbreken van een probleem, zo maakte Hoogervorst duidelijk. Andere lidstaten vreesden voor de neveneffecten. Konden bejaarden of gehandicapten overweg met de lastiger te bedienen kindervriendelijke aansteker. Ten slotte waren er nog landen die, zoals een ambtenaar van de Europese Commissie het uitdrukt, ‘ethische bezwaren’ hadden tegen het inzetten van zeer jonge kinderen om de aanstekers te testen.

Verdeeldheid tussen lidstaten is in dit geval juist een extra argument voor Brusselse regelgeving. Maar dan wegens interne marktoverwegingen. Die zeggen dat de regels voor bedrijven in de verschillende lidstaten zoveel mogelijk dezelfde moeten zijn om concurrentievervalsing te voorkomen. Volgens Hoogervorst zou het ontbreken van een Europese regeling „onvermijdelijk” leiden „tot een ongelijk niveau van bescherming en tot handelsbelemmeringen tussen de lidstaten voor aanstekers”.

En daarin wordt hij dan wel weer bijgevallen door de industrie. Als het moet wil deze best kindervriendelijke aanstekers produceren, maar dan wel op voorwaarde dat iedereen dat moet doen. „Het speelveld moet gelijk zijn”, zegt Bart van Geenen van Swedish Match. „Als alle EU-landen hun eigen regeling gaan maken wordt het een rotzooi.” Dat zou volgens hem bijvoorbeeld kunnen betekenen dat in China geproduceerde niet kinderveilige aanstekers via sommige lidstaten alsnog op de Europese markt komen. Aangezien die aanstekers net iets makkelijker in het gebruik zijn kan dat ten koste gaan van het marktaandeel van de Europese bedrijven.

Zo was het uiteindelijk de interne markt die de ‘EU-brede’ wegwerpaanstekerregeling bedong. In alle lidstaten werd de beschikking veelal zonder parlementaire bemoeienis in de bestaande wetgeving verwerkt. Alleen de Duitse Bondsraad, aangespoord door het verzet uit Beieren stemde tegen. Maar in de Unie werden de Duitsers overstemd. Daarom zal de Bondsraad later deze maand naar verwachting alsnog instemmen.

En de industrie? Die heeft de productielijnen aangepast. Dat wil zeggen: voor de Europese Unie. De ouderwetse wegwerpaanstekers gaan in het vervolg naar een nieuwe groeimarkt: Rusland.