Veertig dagen vegetarisch

Langere dagen, jonge eendjes: nrc.next plaatst het fenomeen ‘lente’ in het aardse bestaan (en daarbuiten).

Vandaag: vasten

Voorjaar en vasten, het is een vreemd begrippenpaar. Lente associëren we met uitbundigheid, niet met onthouding. Maar de combinatie heeft oude wortels – in de prehistorie en in het christendom – en is verankerd in de taal. Het oud-Germaanse woord voor maart, lenct, de maand waarin de dagen lengen, kreeg in het Nederlands de betekenis van voorjaar. Het Engelse Lent slaat op de Vasten voorafgaand aan het Paasfeest.

Vasten in het voorjaar had oorspronkelijk een praktische reden. Toen de boeren in Europa nog hun eigen voedsel verbouwden, raakte tegen de lente de wintervoorraad op. Engelse hoveniers noemen het vroege voorjaar nog steeds de hungry gap.

Christenen herdenken de verrijzenis van Jezus in het voorjaar. Het Laatste Avondmaal, kort voor zijn kruisiging, was de maaltijd ter gelegenheid van Pesach, het joodse Paasfeest. Dat valt op de 14de van de eerste maanmaand. Op het noordelijk halfrond is het dan lente.

Volgens de traditie verrees Jezus op de derde dag na zijn dood. De eerste christenen vierden die opstanding wekelijks, tijdens de zondagse liturgie. Op vrijdag werd de kruisdood herdacht en at men geen vlees, als boetedoening. In de vierde eeuw kreeg Pasen een plek op de religieuze kalender: de zondag na de eerste volle maan die volgt op de dag- en nachtevening van maart (de 21ste). Het feest valt dus tussen 22 maart en 25 april (dit jaar op 8 april). De veertig dagen voor Pasen werd voortaan gevast.

Het getal veertig speelt een rol in het Oude én het Nieuwe Testament. Mozes bleef veertig dagen op de berg Sinaï, de joden zwierven veertig jaar rond voordat ze het Beloofde Land binnengingen, Jezus vastte veertig dagen voor hij aan zijn prediking begon en hij lag veertig uur in het graf.

In de Middeleeuwen mochten gelovigen tijdens de Vasten geen vlees, melkproducten of eieren eten, maar die norm is later versoepeld. Wat in de Vasten niet gegeten mocht worden, werd bewaard. Tot in de jaren vijftig stopten katholieke kindertjes hun snoep in een vastentrommeltje.

In de vastenperiode bleven de kippen natuurlijk aan de leg. Tijdens de Goede Week – de week voor Pasen – werden de opgespaarde, hardgekookte eieren beschilderd en voor de kinderen verstopt. Met Pasen mochten ze die zoeken.