Theedoeken met frisse ruitmotieven

Tentoonstelling: Kitty van der Mijll Dekker. T/m 22 april in het Nederlands Textielmuseum, Tilburg. Di t/m vr 10-17, za/ zo 12-17 u. Inl: www.textielmuseum.nl

Kitty van der Mijll Dekker (1908-2004) was een keurig Haags meisje dat geen keurige mevrouw wilde worden. Architectuur was wat haar interesseerde. Al vond haar familie interieurarchitectuur voor een meisje geschikter. In 1929 schreef ze zich in voor de afdeling meubelmaken van het Bauhaus, de spraakmakende, radicaal-linkse ontwerphogeschool in Dessau. Hier werd zij opnieuw op een ander, ‘vrouwelijker’ spoor gezet: de textielafdeling.

In april 1932 kreeg Van der Mijll Dekker haar Bauhausdiplom. Een jaar later won een weefsel van haar al een prijs op de Triënnale in Milaan. Haar werk werd getoond in het Stedelijk Museum in Amsterdam en in het Metropolitan Museum in New York. In 1937 weefde haar atelier, dat zich vijftig jaar lang in een villa in Nunspeet bevond, gordijnen voor de eetkamer op Paleis Soestdijk.

Bijzonder was dat Van der Mijll Dekker het weven heel technisch opvatte, en niet als het verwerkelijken van plaatjes in stof. Dat geeft haar weefwerk een verbazende kracht: er is nagedacht over de draden, en wat het effect is als die van verschillende kleuren of materialen (wol, katoen) zijn. Aan het Bauhaus gebruikte zij al ongewone materialen als cellofaandraad en koper. Ook heeft haar werk vaak nadrukkelijk diepte, bijvoorbeeld bij stof in slingerbinding, die wordt gemaakt op een weefstoel waarbij de kettingdraden om elkaar heen draaien.

Voorbeelden daarvan zijn nu in Tilburg te zien. Tegen de wanden hangen rijk gekleurde divankleden, tafelkleden en stola’s. Dat waren halverwege de twintigste eeuw onmisbare zaken in de gegoede Nederlandse huizen, maar deze zijn tijdloos en buitengewoon aantrekkelijk door de ingenieuze variatie in reliëfs en patronen.

Al in 1933 kreeg Van der Mijll Dekker opdrachten van de industrie. Het klinkt wonderlijk, maar zij heeft de Nederlandse theedoek gemoderniseerd. Voor de Eindhovense fabrikant Van Dissel verzon ze frisse ruit-en streepmotieven, waarvan sommige in het textiellab van het Textielmuseum nog steeds worden gemaakt.

Lesgeven was een andere belangrijke activiteit: 35 jaar lang doceerde Van der Mijll Dekker aan de Kunstnijverheidsschool (later de Rietveldacademie) in Amsterdam. Ze schopte er vanaf 1934 de afdeling textiel voortvarend het ambachtelijke tijdperk uit. Niks volkskunst of traditie; er kwam gedegen onderwijs in weeftechniek en er werd geëxperimenteerd met materialen en technieken.

Met die verschillende ‘poten’ is de expositie méér dan het portret van een pionierster van het Nederlandse weven in de twintigste eeuw, maar geeft zij ook een veelzijdige indruk van het artistieke weven zelf.