Samen lachen

Bestaat er zoiets als droog schrijven? Ja dat bestaat. Reeds de oude Romeinen waren hier erg goed in. Toen mij werd gevraagd om over dit onderwerp een beschouwing te schrijven (‘Samen werken, samen leven, samen lachen’), heb ik de Grote Van Dale erbij gepakt. Daar staat bij droog…

Saai, saai, boring!

Bestaat er ook zoiets als humoristisch schrijven? Dat wordt al een stuk moeilijker. Veel mensen hebben een groot talent om saai te schrijven. Weinig mensen hebben het talent om geestig of sprankelend te schrijven.

Zijn dat dan ook saaie mensen? Nee, je hebt zeer geestige mensen die helemaal niet geestig kunnen schrijven. In een gesprek en vooral in grotere gezelschappen – als er veel ‘aangevertjes’ zijn – kunnen zij ongelooflijk scherp uit de hoek komen. Maar geef ze pen en papier, of desnoods een computer, en ze bakken er niks van.

Ik ben lang eindredacteur geweest. Dan krijg je nogal wat geestig bedoelde teksten onder ogen. Vaak zie je al na drie zinnen wat eraan scheelt. Aan dit stukje heeft iemand enorm lopen schaven. Iedere zin bevat een leuke vondst, een leuke wending. Of nog erger: een woordspeling.

„Ik stond bij Albert Heijn voor de kassa, waar een tot kassière omgetoverde typmiep doodgemoedereerd aan een onderonsje was begonnen met haar opgepimpte collegaatje, dat nog het meest leek op een kruising tussen een poedel en een soapsterretje. Het was de tweede keer deze week: een AH-ervaring!”

Te lang, te ingewikkeld, te veel bijvoeglijke naamwoorden. Saai eigenlijk, in al z’n overdaad.

Dat is toch wel een van de meest in het oog springende kenmerken van mislukte humoristische teksten. Ze zijn over the top, ze bevatten te veel van het goede.

Mijn ouders hadden vroeger een moppenboek van Max Tailleur op de wc liggen. Een paar zelfs. Dat was in de jaren zeventig tamelijk gewoon – ook bij diverse vriendjes lagen moppenboeken van Max Tailleur op het toilet.

Kennelijk vond men het indertijd belangrijk om lachend te poepen. Of om je darmen te ontspannen met een mop, of beter, met een witz, want Tailleur vertelde witzen.

Waren ze dan leuk, die witzen van Tailleur? Het kan aan de generatiekloof hebben gelegen, een begrip dat in de jaren zeventig nog tamelijk gangbaar was, maar in mijn herinnering heb ik slechts een enkele keer om Tailleur geglimlacht. Nooit, maar dan ook nooit, ben ik schaterlachend van het toilet gekomen om meteen aan mijn ouders of zussen te gaan vertellen wat ik nou weer voor dijenkletser bij Max Tailleur had gelezen.

Dat lag overigens niet speciaal aan Max Tailleur, maar aan het genre: ik heb het later nog verschillende keren geprobeerd, maar het moppenboek is aan mij niet besteed.

Voor het moppenboek geldt wat voor humoristische bloemlezingen geldt: het is simpelweg te veel van het goede.

Natuurlijk, je kunt het zelf doseren, door af en een toe een plukje te lezen, één goeie bak per dag, maar zelfs dat is aan mij niet echt besteed, want in humor spreekt mij vooral het onverwachte en onvoorspelbare aan. Als je van tevoren weet ‘dit wordt lachen’, dan is voor mij de lol er al grotendeels af.

Nu ik er beter over nadenk, begin ik steeds meer te hechten aan saaie, droge teksten. Af en toe een grapje, vooruit, maar zo leuk is het leven nou ook weer niet, dus laten we het beperkt houden. En klimaatneutraal natuurlijk, dat bovenal.

Ewoud Sanders

Voor een reeks over het humoristische woordenboek, zie www.nrc.nl/woordhoek