Passen

Een beginzin met veel voorzetsels, u bent gewaarschuwd: ik zat op een bank in het gangetje bij de paskamers op de afdeling damesmode van De Bijenkorf in Amsterdam.

Om pijnlijke misverstanden te voorkomen: ik zit daar niet dagelijks, zelfs niet jaarlijks. Ik zat er alleen op uitdrukkelijk verzoek van mijn vrouw, die onlangs ‘iets leuks’ had gezien en het op prijs stelde als ik het wilde keuren.

Wat doe je op een bank in het gangetje bij de paskamers op de afdeling damesmode van De Bijenkorf in Amsterdam? Wachten in een soort nirvana, een langzaam opgaan in de oneindigheid. Misschien kom ik wel nooit meer thuis, dacht ik, misschien is dit ons aller voorland: een neutraal, pijnloos voortsudderen onder kunstlicht.

Op dezelfde bank, enkele meters verder, zat een vrouw van een jaar of zestig te wachten tot een vriendin uit haar paskamer kwam. Ze wisselden af en toe enkele woorden door de kijkspleet in de deurtjes. Toen de vriendin tevoorschijn kwam, mocht ik onuitgenodigd meekijken naar het verrassende resultaat, als een voorbijganger die plotseling op een interessant straattafereel stuit.

De vriendin, een goed gesoigneerde leeftijdgenoot van de wachtende vrouw, had zich een nauwe, bruine, geruite broek met verlaagde taille aangemeten. De broek hing halverwege op haar heupen, laag genoeg om een wit strookje buikvet aan de openbaarheid prijs te geven. Het was zo’n broek waarin jonge vrouwen zich heel gelukkig kunnen voelen, vooral als de onderkant van hun rug tatoeages bevat.

„En Gon, wat vind je ervan?” vroeg ze, met een mengeling van bravoure en onzekerheid.

Gon zweeg enkele tellen. Dit behoort tot de moeilijkere momenten uit een mensenleven. De prijs van de waarheid kan hoog zijn. „Ik weet het niet”, zei ze toen, „ik vind hem wel wat strak.”

Waar zouden de dames vandaan komen? Ik schatte ze op een goede buurt, ergens in ’t Gooi. Daar zou zo’n broek, mits gedragen door een vrouw op leeftijd, spectaculaire gespreksstof kunnen opleveren.

Terwijl Gon met een licht verstijfde rug toekeek, deed haar vriendin enkele passen in haar, in in alle opzichten, spannende broek.

„Toch zit hij wel lekker”, zei ze. „Vind je dat het kan, is het niet ordi?”

Ze keek mijn richting uit, maar ik sloeg haastig mijn ogen neer, hier moest ik tot elke prijs buiten blijven. Gon zweeg, haar gewetensstrijd was bijna tastbaar. Toen zei ze zo vlak mogelijk: „Ik vond die zwarte die je eerst aan had, ook wel aardig.”

„Maar vind je ’m ordi of niet?” vroeg haar vriendin weer.

„Ik denk dat die zwarte beter bij je past”, zei Gon snel.

„Jammer”, zei de vriendin. „Weet je wat het is? Soms vraag ik me af wat ik nog wél kan hebben. Laatst had ik Henk meegenomen bij het passen. Ik probeerde een mooi, zijdeachtig pakje met een topje eronder. Hij zag me uit het hokje komen en hij riep meteen keihard, zodat iedereen het kon horen: Aardig pakje, maar dat topje kán gewoon niet.’’

Ze trok zich, dubbel gekwetst, in haar hokje terug.

Ik dacht aan Henk en aan zijn gebrek aan tact, en stelde me behoedzaam in op de dingen die gingen komen – uit dat andere pashokje.