Op darmhoogte zwelt een lachgolf aan

François Rabelais: ‘Gargantua en Panta-gruel’.

Van Gennep, € 48,–

Lachen is een delicate zaak. Je moet het wel op het juiste moment doen. Toen Christus aan het Kruis hing, meenden de omstanders dat de Here een dwaas was, en barstte men in schateren uit. Sindsdien is het lachen onder christenen verdacht, zo schrijft M. A. Screech in zijn onvergelijkbare studie Laughter at the Foot of the Cross (1997). Je ziet het nog steeds. De christenen willen wel lachen als een normaal mens, maar ze moeten er echt voor werken.

Er is een andere kant aan deze medaille. De lach-of-ik-schiet-kant. Zo ken ik iemand die zo hard mogelijk om zijn eigen grappen schatert. Nu ben ik geen lachhuiveraar, maar ’t moet géén verplicht nummer worden. In die zin voel ik me een echte christen.

Een boek als Gargantua en Pantagruel van de Franse schrijver François Rabelais levert in dit verband problemen op. Het begint immers zo: ‘Als ’t u eens lekker lachen doet in stee/ Van al die nare zorgen, dat chagrijn./ Liever een lach dan steeds ach en steeds wee.’ Hoho denk ik bij zo’n opening. Ik zoek zelf wel uit of lachen gepast is. Maar verder lezend zie ik ineens wat Rabelais wil, met al dat geschudde buik. in Gargantua en Pantagruel. Hij wil zeggen dat het leven een tranendal is.

Ik lees dus verder in de hilarische avonturen van de gekken en dwazen in Rabelais’ reuzenboek. En dan begint het ineens. Ik voel op darmhoogte een golf aanzwellen, die vlak daarop de mond uit rolt. Daverend, bulderend, onbedaarlijk. Dit is niet langer lachen, het is erger. Onchristelijk gewoon.

Atte Jongstra