Extremist mag vrijmarkt niet op

Het strafrecht treedt pas in werking als een misdaad is gepleegd. De overheid wil extremisten zonder concrete plannen verboden en plichten opleggen.

Den Haag, 14 maart. - Een voorbeeld: je bent een radicale moslim die wel eens aan vrienden vertelt dat je bereid bent je gedachtengoed met geweld op te leggen. Je hebt extremistische jihadlectuur in huis, en deelt die ook uit. Je houdt bijeenkomsten thuis met gelijkgestemden. Maar je hebt geen concrete plannen voor de voorbereiding van een aanslag bekendgemaakt.

Als de Tweede Kamer volgende week instemt met het wetsvoorstel Bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid, dan kan je een gebieds-, persoonsverbod of meldplicht opgelegd krijgen. Gisteren debatteerde de Kamer over het voorstel. Iemand mag zich dan bijvoorbeeld niet meer op Schiphol vertonen, of moet minimaal op een paar „tientallen meters” afstand van een bepaalde minister blijven, of moet zich op Koninginnedag op het politiebureau melden. De wet is een gevolg van de frustratie van de overheid met wat zij ziet als de onbruikbaarheid van het strafrecht voor terroristen die zich niet door angst voor straf laten tegenhouden.

De overheid wil kunnen ingrijpen voordat iemand een aanslag pleegt. Omdat het strafrecht pas in werking treedt als de misdaad verricht is, zochten de vorige kabinetten-Balkenende al mogelijkheden om dat te veranderen. Zo zijn bijvoorbeeld voorbereidingshandelingen van een aanslag strafbaar gemaakt.

Maar het kabinet wil nog eerder kunnen ingrijpen. Ook mensen (zoals uit het bovenstaande voorbeeld, dat in de toelichting bij de wet staat) die zich zo gedragen dat er „aanwijzingen” zijn dat zij „in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan”, moeten aangepakt kunnen worden. Zonder, zo herhaalt de overheid steeds, dat er een redelijk vermoeden van schuld is dat iemand iets strafbaars doet. Het moet wel om kopstukken in radicale netwerken gaan. Het gaat om een paar mensen, zo schatte minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) gisteren.

Vooral de bruikbaarheid van de wet werd tijdens het debat gisteren door een minderheid in de Kamer bekritiseerd. Kamerlid Pechtold (D66) vond het „schieten met een kanon op een mug”. Volgens Kamerlid Brinkman (PVV) was de wet „een gevaarlijk vod”, omdat serieuze terroristen zich niet door een verbod laten tegenhouden. Kamerlid Azough (GroenLinks) vond het „naïeve kneuterigheid” om te denken dat iemand die echt een aanslag wil plegen zich door deze wetgeving laat tegenhouden. Ze noemde het voorbeeld uit de wet dat je iemand een vergunning voor een standje bij Koninginnedag in Amsterdam zou kunnen weigeren zodat hij die niet zou kunnen misbruiken voor terroristische doelen. Kamerleden De Wit (SP) en Anker (ChristenUnie) vroegen zich af wat het wetsvoorstel toevoegt aan de al bestaande wetten die voorbereidingshandelingen voor terroristische misdrijven strafbaar maken.

Behalve de PVV maakten deze partijen zich ook zorgen over de mogelijke inperking van grondwettelijke vrijheden (vrijheid van vereniging, vrijheid van godsdienst) zonder dat iemand iets strafbaars heeft gedaan. Ter Horst en haar collega-minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) benadrukten dat het besluit (dat de minister van Binnenlandse Zaken neemt) om iemand een verbod of meldplicht op te leggen, goed gemotiveerd moet worden, en door de rechter getoetst kan worden.

Voorstanders van de wet benadrukten dat de wet gezien moest worden als een extra instrument in de strijd tegen terreur, naast andere recente wetgeving.

Ter Horst maakte de vergelijking met mishandeling: „Wij kunnen toch niet wachten met ingrijpen tot het moment dat iemand zijn vrouw, man of kind in elkaar slaat? Hetzelfde is bij terrorisme het geval. Ik weet zeker dat deze Kamer te klein is als na een terroristische actie met desastreuze gevolgen bekend wordt dat de AIVD wist dat iemand bezig was met de voorbereidingen. Dan zou de Kamer vragen waarom niet eerder is ingegrepen. Om dat te voorkomen, ligt deze wet hier.”