Strafkamer van Hoge Raad voldoet niet

De Hoge Raad blijkt niet geschikt om strafzaken te herzien. Dat kan alleen bij een novum, een nieuw gevonden feit. Daarbij blijven rechters uit de wind. Daarom pleiten Hans Crombag e.a. voor een nieuw herzieningsorgaan.

Strafzaken die ook na de definitieve veroordeling van de verdachte vragen blijven oproepen, zijn weliswaar niet aan de orde van de dag, maar komen wel met enige regelmaat voor. De verwikkelingen rond de Schiedammer parkmoord, een zeldzaam geval van rechterlijke dwaling, heeft het probleem op de politieke en maatschappelijke agenda geplaatst.

Een van de redenen waarom vragen omtrent een aantal strafzaken gesteld blijven worden, is dat de strafkamer van de Hoge Raad gebonden is aan een beslissingscriterium dat maakt dat de meeste herzieningsverzoeken moeten worden afgewezen. In de laatste honderd jaar hebben herzieningsverzoeken in ernstige strafzaken slechts in een handvol gevallen succes gehad, zoals de zaak Giessen-Nieuwkerk (1929), de Rotterdamse carnavalsmoord (1989), de Puttense moordzaak (2001), de Deventer moordzaak (2003) en de Schiedammer moordzaak (2005).

Dat is erg weinig. In deze zaken waren niet alleen de lagere rechters onvolledig op de hoogte van alle feiten, maar hadden zij ook feiten die hun wel bekend waren, over het hoofd gezien of niet juist gewogen. Er moeten meer van zulke zaken zijn geweest, die echter verborgen zijn gebleven. Kennelijk schort er iets aan de bevoegdheid van de Hoge Raad om over herzieningsverzoeken in strafzaken te oordelen.

De Hoge Raad is er voor cassatieprocedures, waarin de verzoeker zich erover beklaagt dat bij de behandeling van zijn zaak procedurefouten zijn gemaakt of de wet door de lagere rechter niet juist is geïnterpreteerd. Is dat het geval, dan besluit de Hoge Raad dat zo’n zaak opnieuw door een gerechtshof bezien moet worden. Het gaat dan om louter juridische kwesties, niet om de feitelijke inhoud.

De strafkamer van de Hoge Raad vormt op die regel een uitzondering: die kan als er twijfel bestaat over de vaststelling van de feiten door de lagere rechter tot een nieuwe behandeling besluiten. Daarbij is de Hoge Raad aan een strikte beperking onderworpen. Hij kan alleen tot herziening besluiten wanneer een novum is gevonden: een nieuw feit, dat niet bekend was ten tijde van de eerdere behandeling door het gerechtshof en waarvan verondersteld mag worden dat het tot een ander oordeel had kunnen leiden. Gevolg van deze regel is dat rechters op die manier uit de wind blijven: zij konden er niets aan doen, omdat zij immers niet alle informatie hadden.

Er zijn echter zaken die juist als kenmerk hebben dat de rechters wel degelijk over alle relevante informatie konden beschikken, maar waarbij men zich afvraagt of zij wel goed hebben opgelet. Het novumcriterium neemt de lagere rechter op voorhand al in bescherming, en biedt derhalve geen oplossing voor zaken waarin de rechter die bescherming niet verdient. Een verontrustend aantal van zulke zaken heeft de laatste tijd de publiciteit gehaald. (Zie Dubieuze zaken van Crombag, Van Koppen en Wagenaar, 2006).

Dat heeft ertoe geleid dat vorig jaar de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (de Posthumus II-commissie) is ingesteld om zulke zaken opnieuw te onderzoeken. Maar ook deze commissie is gehouden aan een aantal ongelukkige beperkingen. Ten eerste gaat het om een tijdelijke maatregel: eind van dit jaar zal de commissie worden opgeheven, zo is het voornemen. Het is lang niet zeker dat alle zaken die hernieuwde aandacht behoeven dan zullen zijn aangemeld.

Maar belangrijker is dat het ook de Commissie Posthumus II verboden is om zich uit te laten over de rol van rechtbanken en gerechtshoven in de zaken die zij onderzoekt. Zij moet zich beperken tot onderzoek naar fouten die mogelijk door het Openbaar Ministerie zijn gemaakt, bijvoorbeeld door ontlastende bewijsmiddelen te verdonkeremanen of op andere wijze de rechter te misleiden. Dat biedt opnieuw geen soelaas in zaken waarin gerede twijfel mogelijk is of de rechter, met alle informatie in handen, de zaak wel juist heeft beoordeeld. Dat de Commissie Posthumus II zich niet mag uitlaten over de zorgvuldigheid van het werk van de rechters maakt dat het lang niet zeker is dat zij voor de thans aanhangige zaken tot herziening zal kunnen adviseren en de maatschappelijke onrust over die en soortgelijke zaken zal kunnen wegnemen. Er is iets anders nodig.

De vraag is of wij niet behoefte hebben aan een instantie die in voorkomende gevallen strafzaken in hun geheel, inclusief de oordelen van rechters tot in hoogste instantie, opnieuw kan bezien. Zeker, iedere strafzaak moet ooit tot een einde komen, wij kunnen niet tot in het oneindige doorgaan met zaken opnieuw aan de orde te stellen. Maar dat hebben de strafrechtelijke instanties niet helemaal in eigen hand. Er zijn blijkbaar van die zaken waarover de publieke discussie blijft doorgaan, zolang wij niet een maatschappelijk aanvaarde vorm hebben gevonden om ze definitief te ruste te leggen. Dat kan als niet alleen het Openbaar Ministerie ertoe gebracht kan worden om kennelijke eigen fouten alsnog te herstellen, maar ook de gerechten.

Laten wij het eerste over aan het Openbaar Ministerie, dan is de verleiding groot om de eigen fouten weg te poetsen, zoals het Utrechtse parket onlangs deed toen het besloot de ingediende klacht tegen de officier van justitie en de advocaat-generaal in de Schiedammer parkmoord te seponeren. En wat het laatste betreft, zowel de Rotterdamse rechtbank als het Haagse gerechtshof boog zich in een intern onderzoek over het geleverde werk in die zaak. De rechtbank liet weten van de zaak geleerd te hebben, maar zei niet wat dan precies, terwijl het gerechtshof liet weten zich van geen kwaad bewust te zijn. Deze zelfbeoordeling werkt dus niet.

Ons voorstel is dat wij een onafhankelijk bestuursorgaan in het leven roepen dat kan bogen op groot maatschappelijk gezag, vergelijkbaar met de Onderzoeksraad voor Veiligheid (de Commissie-Van Vollenhoven) of de Nationale Ombudsman. Een wettelijke regeling voor zo’n commissie hoeft niet meer te worden uitgevonden: het model dat ten grondslag ligt aan de Commissie-Van Vollenhoven, na lang wikken en wegen en uitputtende politieke discussie tot stand gekomen, kan grotendeels worden overgenomen. Dit model garandeert de leden van de commissie absolute onafhankelijkheid van de organisaties naar wier functioneren zij onderzoek verrichten.

In Engeland en Wales – in enkele andere landen trouwens ook – bestaat zo’n instantie al: de Criminal Cases Review Commission (CCRC). Zij bestaat uit zestien leden en een ondersteunende staf. Niet alle leden hebben een juridische achtergrond, ook andere disciplines zijn vertegenwoordigd. De leden worden via een sollicitatieprocedure uitgekozen en benoemd door het Lagerhuis. De commissie beschikt, net als de Commissie-Van Vollenhoven, over bij wet toegekende onderzoeksbevoegdheden en rapporteert in voor iedereen toegankelijke rapporten. De CCRC ontvangt zo’n duizend verzoeken per jaar, waarvan, met behulp van een toelatingsprocedure, 3 à 4 procent voor daadwerkelijk nader onderzoek in aanmerking komt. In Nederland, met een aanzienlijk kleinere bevolking, zou men kleinere aantallen mogen verwachten.

Het Engelse strafrechtelijke systeem verschilt in menig opzicht van het onze. Dat maakt dat de Engelse oplossing niet zonder meer op ons stelsel kan worden overgeplant. Het Engelse voorbeeld leert wel dat de instelling van een dergelijk orgaan ook in Nederland niet op principiële bezwaren hoeft te stuiten.

Waarom zouden alleen rechters over het functioneren van rechters mogen oordelen? In het publieke domein worden ook nu al met zekere regelmaat oordelen over rechterlijk functioneren geveld, zij het dat die tot niets verplichten en daarom door de zittende magistratuur gemakkelijk kunnen worden genegeerd. Er zijn van die zaken die maar blijven doorzeuren en maatschappelijke onrust veroorzaken. Daar hebben niet alleen de bij zo’n zaak betrokkenen geen baat bij, ook de samenleving niet. En uiteindelijk ook de rechterlijke macht niet, die immers een maatschappelijk draagvlak niet blijvend kan ontberen.

Dr. Hans F.M. Crombag is emeritus hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Dr. Han Israëls is docent rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Dr. P. van Koppen is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Dr. W.A. Wagenaar is emeritus hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Utrecht.