Proefdiervrij testen van klamboes kan nog niet

Debat over Partij voor de Dieren

In deze krant van 10 maart werd een financier van de Partij voor de Dieren op kortzichtige wijze in diskrediet gebracht. Het argument: ter bestrijding van malaria in ontwikkelingslanden produceert het bedrijf van deze financier klamboes die zijn geïmpregneerd met bestrijdingsmiddelen die getest zijn op proefdieren.

Het artikel getuigt niet van een genuanceerde denkwijze over de malariaproblematiek. Malaria veroorzaakt in tropische landen jaarlijks vele duizenden doden, grotendeels kinderen.

Het ontbreekt deze landen aan financiële middelen om dit gezondheidsprobleem adequaat aan te pakken. En de westerse farmaceutische industrie is er nog niet in geslaagd om een goed werkend vaccin tegen malaria te ontwikkelen.

Daarom zijn bewoners van deze landen aangewezen op gebruik van insectenbestrijdingsmiddelen. Ze hebben twee opties: 1) Ze behandelen de leefomgeving met bestrijdingsmiddelen die gezien het tropische klimaat alleen effectief werken als die milieupersistent zijn, zoals DDT.2) Ze gebruiken klamboes die geïmpregneerd zijn met een bestrijdingsmiddel. Het gebruik van persistente bestrijdingsmiddelen is via verdragen sterk aan banden gelegd wegens effecten op mens, dier en milieu. Daarom is optie 2 een doeltreffend en milieuvriendelijk alternatief.

Hier dient zich een toxicologisch probleem aan. Enerzijds moeten deze middelen voldoende persistent zijn om langdurig werkzaam te zijn, anderzijds zou deze persistentie een gezondheidsrisico kunnen zijn voor de gebruiker vanwege accumulatie in het lichaam.

Kan de wetenschap nu via proefdiervrije testen dergelijke stoffen veilig verklaren voor mens en milieu? Wat betreft de (milieu)persistente eigenschappen kan inderdaad een redelijk betrouwbare voorspelling gemaakt worden via proefdiervrije testen.

Voor wat betreft de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de mens ligt dit complexer. Het is nu zeker mogelijk via proefdiervrije testen potentiële gezondheidsschadelijke effecten te detecteren en op grond hiervan te besluiten een medicijn of bestrijdingsmiddel niet verder te ontwikkelen.

Deze aanpak wordt door zowel de chemische als farmaceutische industrie al standaard toegepast en is behalve proefdier-besparend bovendien economisch rendabel. Als een bepaalde stof deze alternatieve testen goed doorstaat, zal de ultieme test echter nog steeds in een proefdier moeten plaatsvinden om de hoogste betrouwbaarheid op het gebied van de toxicologie te krijgen. Terecht stelt de overheid dit onderzoek als eis omdat alternatieve testen niet de door de samenleving vereiste zekerheid bieden.

Bij de klamboes met bestrijdingsmiddel dient zich een extra probleem aan: het zijn vooral jonge kinderen die deze bescherming het hardste nodig hebben. Vanuit de toxicologie is bekend dat zich nog ontwikkelende lichamen het meest gevoelig zijn voor de giftige effecten van stoffen.

Voor kinderen moet dan ook de hoogste mate van zekerheid geboden worden bij het gebruik van deze klamboes. Hiervoor is toxicologisch gezien slechts één oplossing beschikbaar: proefdieronderzoek. Proefdiervrije testen met voldoende zekerheid voor kinderen zullen vermoedelijk de komende decennia nog niet voorhanden zijn door gebrek aan wetenschappelijke kennis.

Aan deze met een bestrijdingsmiddel geïmpregneerde klamboes moet in feite dezelfde veiligheidseis gesteld worden als aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. De gebruiker zal immers dagelijks in contact komen met het bestrijdingsmiddel.

Prof.dr. Martin van den Berg Hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht.