Nou vooruit, dan kom ik wel even langs

Vanavond is het Boekenbal, het startschot van de boekenweek. Schrijvers proberen er onopvallend in de schijnwerpers te komen.

„Ik had eigenlijk niet willen komen dit jaar.”

Het is elk jaar hetzelfde en het begint al een paar weken voordat het begint. Zenuwachtig houdt de schrijver zijn brievenbus in de gaten. In het schrijverscafé zegt hij nonchalant langs zijn neus weg: „Ze zijn wel laat met de kaartjes dit jaar.” Zijn vrees wordt bewaarheid. „O, ik heb ze al binnen”, zegt zijn collega-auteur die hij sowieso niet kan uitstaan. De volgende dagen belt hij woedend, smekend, huilend zijn uitgever en uiteindelijk heeft hij geluk. Er blijkt nog een kaartje over te zijn van een promotiemedewerkster. Hij mag naar het .

Wanneer hij rond tien over acht, nonchalant precies tien minuten te laat, arriveert voor de ingang van de Stadsschouwburg, spreekt uit zijn houding en blik precies de juiste gemoedstoestand van licht geamuseerd dedain en verveling bij voorbaat.

Het tijdstip van zijn aankomst was afgestemd op maximaal theatraal profijt van de rode loper en de zich vergapende massa achter de dranghekken. Des te groter is zijn teleurstelling dat hij gewoon achteraan moet sluiten in de rij, maar hij weet zijn teleurstelling met routine te verbergen. „Ik had eigenlijk niet willen komen dit jaar”, zegt hij tegen iemand naast hem, bij voorkeur een debutant met rode wangen van trots en opwinding, „maar ja, er was geen voetbal op tv”. Van een zich vergapende massa is ook al geen sprake. Enkele toeristen blijven staan. Het is de theateract op straat die hun aandacht trekt en niet zijn literaire roem.

Het is zaak om al tijdens het afgeven van de jas te taxeren hoe de verschillende cameraploegen zich hebben opgesteld. De verslaggever van het NOS Journaal moet hij hebben. Vol in zijn zicht manoeuvreert hij zich ingewikkeld achter hem langs op zo’n manier dat het lijkt alsof hij ongezien langs hem probeert te glippen. De verslaggever trapt erin en houdt hem staande voor een vraaggesprekje. De auteur acteert dat hij verrast is dat hij toch nog is gespot, hoewel hij zich voor vanavond had voorgenomen in alle anonimiteit een glaasje te drinken met een paar gelijkgestemden, en hij meet zich de houding aan van de beroemdheid die op een avond als deze zijn stemming niet wil laten verpesten door opdringerige media. Straks even sms’en of het is uitgezonden.

Het is gelukkig weer precies zoals elk jaar. Jan Mulder staat zich grijnzend uit iedere rimpel te omringen met andermans vrouwen. Connie Palmen en Hans van Mierlo zijn hier zichtbaar niet op een nuchtere maag naartoe gekomen. Bij de trap hangen de dichtertjes rond. Ja, jongens, het is een goedbewaard geheim, maar het Boekenbal is duur. Zijn uitgever slaat hem joviaal op de schouder en gaat bier halen. Een bevriend schrijver begroet hem met dezelfde woorden als vorig jaar: „Het lijkt wel of er ieder jaar minder schrijvers aanwezig zijn. Het begint hier een ordinair boekhandelaarsfeestje te worden.” Hij heeft gelijk. De schrijvers struinen rond als ingehuurde figuranten wier enige taak het is de boekhandelaren te vermaken door pittoresk dronken te worden en authentiek in hoeken te braken. De meesten zullen zich met verve kwijten van deze taak.

Het is zaak aanwezig te zijn bij het voorprogramma om duidelijk zichtbaar te maken dat hij niet de status heeft van de tweederangs auteurs die pas om tien uur zijn uitgenodigd, maar verder dient het met uiterste neerbuigendheid te worden bijgewoond. Het is per definitie een affront voor de verzamelde intelligentie en muzische gevoeligheid, zelfs als het erg goed is. Wat was het thema ook alweer? O ja, iets met humor. De verontwaardiging zal dit jaar geen enkele moeite kosten.

De rest van de avond bestaat uit trappen lopen op zoek naar waar het leuk is. Hierbij is het zaak op te passen dat je niet op Thomas Rosenboom trapt. De herenclub van Mulisch zit in de chicste foyer. Hoofdredacteur Suzanne Holtzer van De Bezige Bij vervult de hele avond de rol van exclusieve serveerster voor het gezelschap. Laat op de avond concentreert zich het feest steeds meer rond de dansvloer waar de literaire kampioensdiskjockey Vic van de Reijt de ene gouwe ouwe aan de andere rijgt. Vooral uitgevers dansen.

Om drie uur neemt hij een taxi naar huis. Het was goed. Hij was erbij. Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven.

Ilja Leonard Pfeijffer schreef in 2004 voor NRC Handelsblad over het Boekenbal. Delen van dat stuk heeft hij voor dit stuk hergebruikt. „Dat kan probleemloos, want het is elk jaar hetzelfde.”