Niemand durft krijgsheren aan te klagen

In Afghanistan wordt dezer dagen een wet aangenomen die voormalige krijgsheren amnestie verleent. Critici zien daarin een teken van de toenemende corruptie, trage wederopbouw en slechte veiligheidssituatie.

Op het hoofdkantoor van Jamiat-e Islami Afghanistan, de partij van de voormalige krijgsheer Burhanuddin Rabbani, ging het de afgelopen weken maar over één onderwerp. Wat gaat president Karzai doen? Ondertekent hij het wetsvoorstel van het parlement dat oorlogsmisdadigers, in het bijzonder de voormalige krijgsheren, amnestie verleent of niet?

Siddiq Chakari, woordvoerder van de partij, kent de uitkomst al. „Als Karzai het niet zou goedkeuren, dan zouden wij en de andere leiders [krijgsheren, red] zijn regering niet meer steunen”, zegt hij.

En dan? Dan zou de regering Karzai zijn gevallen, weet Chakari. De zegsman is een voormalige commandant van de milities van Rabbani. Hij zegt in 1987 aan de zijde van Osama bin Laden tegen de Russen te hebben gevochten. „De krijgsheren hebben miljoenen mensen achter zich”, zegt Chakari. „Ze hebben geholpen bij het verjagen van de Russen, van de Talibaan. Als de overheid hen ineens zou gaan vervolgen voor oorlogsmisdaden, dan had dat kunnen leiden tot een burgeroorlog.”

Zaterdag heeft het Afghaanse parlement een wetsvoorstel aangenomen dat plegers van oorlogsmisdaden, vanaf de invasie van de Sovjet-Unie in 1979 tot de val van de Talibaan in 2001, amnestie verleent. Het wetsontwerp was eerder door Karzai afgewezen en teruggestuurd met veranderingen. Zijn amendementen zijn daarop zonder morren geaccepteerd door het parlement. Een dezer dagen zal de president de aangepaste, controversiële wet officieel ondertekenen.

President Karzai neemt daarmee een enorme gok. De amnestiewet herinnert veel Afghanen aan een onverwerkt traumatisch verleden en heeft tot boze reacties geleid onder de bevolking. De oorlogsjaren hebben tienduizenden onschuldige burgers het leven gekost en een van de grootste vluchtelingenstromen in de twintigste eeuw voortgebracht. Plunderingen en verkrachtingen waren aan de orde van de dag, vooral tijdens de burgeroorlog in de jaren negentig.

Veel gewone Afghanen zijn dan ook voorstander van het terechtstellen van daders, als onderdeel van het verwerkings- en verzoeningsproces in het land, zo blijkt uit onderzoek van de Afghan Independent Human Rights Commission. Met een ferme afwijzing van het amnestievoorstel had Karzai zijn positie als leider van het land fors kunnen verstevigen. Want de populariteit van de president is het afgelopen jaar op een dieptepunt beland als gevolg van de toenemende corruptie, de verslechterende veiligheidsituatie en de trage wederopbouw.

Het wetsvoorstel is ironisch genoeg een initiatief van de volksvertegenwoordigers van Afghanistan. Begrijpelijk, aangezien het parlement wordt gedomineerd door voormalige krijgsheren en hun commandanten. Met de wet voorkomen ze vooral dat zijzelf worden vervolgd in de toekomst. Onder de parlementsleden zijn daarnaast nog enkele oud-leiders van de Talibaan die het voorstel hebben gesteund.

Ook in de regering van Karzai zijn beruchte krijgsheren prominent aanwezig. Volgens Human Rights Watch hebben bijvoorbeeld de stafchef van het leger, Abdul Rashid Dostum, vicepresident Karim Khalili, en de minister van Energie, Ismail Khan, allen voormalige krijgsheren, zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden.

„Dit is de democratie die wij van het Westen hebben gekregen. Waarom heeft de internationale gemeenschap na de val van de Talibaan toegestaan dat oorlogsmisdadigers in het Afghaanse parlement mochten zitten? Met behulp van geld en met dreiging van geweld hebben zij hun posities verworven in de Afghaanse democratie. En nu krijgen we deze wet”, zegt Kanishka Nawabi, directeur van Cooperation for Peace and Unity. Deze Afghaanse organisatie biedt onder meer hulp bij het oplossen van conflicten op het platteland.

Onder het extreemfundamentalistische bestuur van de Talibaan heerste er ten minste orde en gezag in Afghanistan. „Nu is dat niet zo. En bovendien heb je te maken met zichzelf verrijkende krijgsheren, die onderdeel uitmaken van de democratie. Zij bezitten alle hotels en grote gebouwen in het land. Zelfs geld van donoren komt via hun bouwbedrijven in hun portemonnees terecht”, zegt Nawabi.

In het wetsvoorstel staat dat de voormalige krijgsheren die „het geloof en land” hebben verdedigd, onderdeel zijn van de glorieuze hoogtepunten van de Afghaanse geschiedenis. Daarom dienen zij en hun milities, die in de jaren tachtig tegen de Russen en in de jaren negentig tegen elkaar en de Talibaan vochten, gerespecteerd te worden. De staat mag ze niet vervolgen. Alleen individuele slachtoffers mogen proberen oorlogsmisdadigers aan te klagen. Oftewel: de bewijslast ligt bij de slachtoffers.

Nawabi zegt: „Wie durft die mensen aan te klagen? Niemand. En de internationale gemeenschap zwijgt. Vorige week waren hier Nederlandse parlementariërs op bezoek. Die hadden ook een afspraak met Abdul Rasul Sayyaf (voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken van de Wolesi Jirga, het Afghaanse Lagerhuis). Die man is een moordenaar, een krijgsheer. Zo legitimeer je zijn positie.”

Diezelfde Sayyaf gaf zaterdag in het parlement de andere volksvertegenwoordigers nog een niet mis te verstane waarschuwing. Wie het amnestiewetsvoorstel niet steunde, zou gestraft worden, zo luidde zijn boodschap. „Wij worden voortdurend bedreigd”, zegt Mohammad Noor Akbary, een onafhankelijk parlementslid dat tegen het voorstel stemde. Fijntjes verwijst hij nog even naar Malalai Joya, een van de bekendste vrouwelijke parlementsleden. De 28-jarige Joya is een felle critica van de voormalige krijgsheren en overleefde maar net enkele aanslagen op haar leven. „Haar leven wordt voortdurend bedreigd door de krijgsheren, maar die wet komt er gewoon.”

Karzai had volgens Akbary het wetsontwerp moeten afwijzen. Met de acceptatie van de wet ondermijnt de president de Afghaanse democratie.

Akbary zegt: „Hij is gekozen door de meerderheid van de bevolking. En diezelfde meerderheid wil gerechtigheid. Zo verliest de president zijn geloofwaardigheid.”