Miljoenen hulpen

In Azië bestaat een omvangrijke, informele dienstmeisjeseconomie. Het geld dat ze overmaken naar huis is bij elkaar geteld niet gering. Volgens westerse rapporten hebben de meisjes het zwaar.

Voor Didit Hape had Valentijnsdag dit keer een extra verrassing in petto – zij eindigde de dag met een kind. Die ochtend was ze even buiten Surabaya naar een zeventienjarig kindermeisje gegaan dat op eigen houtje bezig was te bevallen. Zwanger geraakt van haar baas en toen op straat gezet.

De bevalling in een hut ging helemaal mis, een dokter kwam erbij maar het kindermeisje stierf. Alleen de baby was kerngezond. Daar stond Didit Hape met een pasgeboren jongetje in haar armen. Ze heeft hem maar mee naar huis genomen en hem drie namen gegeven, Mohammed Galang Valentin: „Naar de profeet Mohammed en om eraan te herinneren dat het Valentijnsdag was.” Zoals de zaken er voorstaan is de opleider voor kindermeisjes, Didit Hape, nu dus moeder.

Kindermeisjes en huishoudelijke hulpen in Zuidoost-Azië zijn de draaischijf in de ontwikkeling van een middenklasse. Niemand heeft nauwkeurige getallen, maar wie bedenkt dat alleen al in de Filippijnen – 85 miljoen inwoners – overzees personeel 12 procent van het bruto binnenlands product voor zijn rekening neemt, kan becijferen dat het om tientallen miljoenen mensen gaat. In Indonesië variëren de schattingen van 2,5 tot 10 miljoen. Het is een bij uitstek informele sector. Alleen voor zover mensen buiten hun landsgrenzen werken en geld overmaken, is er iets van terug te vinden via de statistiek.

Los van de statistiek is er het straatbeeld. In hun witte verpleegsterpakjes drentelen ze met een baby op hun arm in het winkelcentrum achter een hooggehakte moeder aan. Maar bovenal zijn ze onzichtbaar – binnen achter het aanrecht en op de kinderkamer.

Human Rights Watch bemoeit er zich inmiddels mee, net als de arbeidsorganisatie ILO en Amnesty International. In een recent rapport met de omineuze titel ‘Exploitatie en bedrog: de benarde positie van huishoudsters’ stelt Amnesty vast dat „te veel huishoudsters in Indonesië geconfronteerd worden met schending van mensenrechten”. Fysiek, psychologisch en seksueel geweld zijn aan de orde van de dag en ze worden te vaak behandeld als tweederangs burgers. Aldus de mensenrechtenorganisatie.

Aan het einde van een doolhof van kleine steegjes diep in de kampong van Jakarta houdt een bemiddelingsbureau voor huishoudelijk personeel kantoor. Grote steden in Zuidoost-Azië zijn met zulke kantoortjes bezaaid en bijna altijd zijn ze klein en smoezelig. Dit bemiddelingsbureau, Mitra Ananda, bestaat ruim één jaar, telt inclusief de directie drie personeelsleden en heeft inmiddels 46 meisjes op het platteland gerekruteerd en aan een baan in de grote stad geholpen. Een werkgever is 40 euro bemiddelingskosten kwijt en de werknemer daarna nog eens zo’n bedrag voor haar eigen scholing. De firma heeft dus in haar eerste jaar op zijn best ruim 3.500 euro omgezet.

Arum Rumiyati bestiert het piepkleine kantoortje en ze heeft ook een paar principes. „Wij leveren geen personeel jonger dan achttien jaar. Voor lichter werk mogen de meisjes ook vijftien zijn, maar de wet omschrijft dat niet goed en dus kun je een meisje van vijftien alles laten doen. Maar wij lenen ons daar niet voor, dus achttien jaar is de limiet.”

Meisjes halen ze uit de kampong en ze zorgen ook voor enige opleiding onderweg. En een werkgever die niet tevreden is, kan binnen zes maanden zonder kosten iemand anders krijgen.

Mitra Ananda zorgt ook voor een uniform. Dat doen bemiddelingsbureaus wel vaker, het is goed voor het imago.

In kampongs strijden bemiddelaars vaak om klanten. Een bemiddelaar net terug van het platteland vertelt hoe in een dorp waar ze was een ronselaar voor Singapore er de hele markt in handen heeft: „Je krijgt van een agent in Singapore 1 miljoen rupiah (zo’n 90 euro) per meisje en dan moet ook het meisje zelf nog wat betalen dus dan kun je als bemiddelaar in het dorp wel wat gunsten vergeven.” De aantallen zijn alles bij elkaar van dien aard dat het internationale vliegveld van Jakarta er een speciale terminal voor heeft gebouwd, terminal 3.

De dagen zijn lang voor kindermeisjes en huishoudsters. Opstaan om half zes en met wat rusttijd tussendoor wordt het ’s avonds toch al gauw een uur of zeven, acht voordat de werkdag erop zit. Een dag per week of per twee weken hebben ze vrij, maar de schoen wringt hier aan twee kanten. Arum Rumiyati: „De werkgever wil liever zeven dagen over zijn huishoudpersoneel kunnen beschikken en de werknemer kan eigenlijk weinig met die vrije dag, want wat moeten ze doen? Geld om iets te ondernemen hebben ze niet. We willen dus eigenlijk dat ze wat extra voor een zevende dag betaald krijgen.” En dat Amnesty-rapport dan – dat gaat verder dan een klacht over een zevendaagse werkweek voor vijftienjarigen?

Rumiyati: „Over geweld horen we wel ja. Laatst had een woeste heer des huizes nog twee hulpjes opgesloten, elke avond na het werk opnieuw, dagenlang. Verkrachting en zwangerschap komen wel vaker voor maar daar kun je weinig aan doen. Het bewijs is moeilijk en als er geen verwondingen zijn, hoef je er bij een rechter niet mee aan te komen hier. Een meisje verdwijnt stilletjes naar haar dorp of weet ergens een abortus te regelen. In de statistiek vind je zoiets niet terug.”

En hoe zit het met de subtiele vernederingen? Een kindermeisje dat mee op reis gaat en anders dan de kinderen zelf op de grond slaapt? Rumiyati: „Wie betaalt, heeft een hogere rang. Dat is de cultuur, bedienden lopen achteraan, wie dat wil veranderen, verliest haar baan.”