Leider

„Typeer hem nou eens”, zei Felix Rottenberg, „wat is hij voor leider? Is hij een leider?”

Het was na afloop van de première van de tv-documentaire De Wouter Tapes (uitzending op 19 en 26 maart bij de VPRO), gistermiddag in Den Haag. Rottenberg vroeg het aan een panel dat de film nabesprak.

„Een zoekend leider”, zei Carla van Baalen, bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis.

„Meer een coach dan een leider”, zei Emile Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland.

„Hij is charismatisch, maar niet visionair”, zei Janka Stoker, bijzonder hoogleraar leiderschap.

Als ik die oordelen mag samenvatten, inclusief mijn eigen indruk: Wouter Bos is niet de ideale leider – voor zover er een ideale leider bestaat. Je zou wíllen dat hij het was, want hij maakt een sympathieke, fatsoenlijke indruk, maar ook na deze film blijf je met te veel twijfels over zijn leiderschap achter.

Misschien wordt hij als vakminister gelukkiger dan als premier, peinst Bos in de film. Ik geloof niet dat een ‘geboren’ politieke leider zoiets zou denken.

De filmers, Rudi Boon en Kees Brouwer, mochten Bos van nabij volgen, vanaf november 2005, toen hij zich kandidaat stelde voor het premierschap, tot het moment dat hij zijn nieuwe kamer op Financiën betrad. De filmers onthouden zich van commentaar, zij laten de reflectie over aan Bos zelf, die via een dicteerapparaatje een gesproken dagboek bijhoudt. Zo ontstaat voor de kijker de maximale ruimte om zich ‘zijn eigen Bos’ te scheppen.

Ik zag vooral een politiek leider die worstelde met de verwachtingen die anderen van hem hadden. Hij zou wel even de nieuwe premier van Nederland worden. Zelf twijfelt hij ernstig aan zijn kansen, vertelt hij zijn dicteerapparaat.

Zo wordt hij de gevangene van het optimisme in zijn omgeving. Hij lijkt te onzeker om die druk aan te kunnen en langzaam maar zeker sluipen er fouten in zijn campagne. Op het laatst moeten anderen hem vertellen wat de kern van zijn missie behoort te zijn. „Solidariteit, daar gaat het ons toch om’’, voegt collega Frans Timmermans hem toe, „daar zijn we toch voor opgericht? What makes him tick? Wat is jouw ultieme drijfveer? Dat is die solidariteit!”

Eigenlijk was het voor Bos oud nieuws wat Timmermans zei. Een jaar eerder had Bos in andere bewoordingen hetzelfde gezegd toen zijn zogenaamde ‘gebrek aan visie’ ter sprake kwam: „Kok wilde ook het voor de mensen een beetje beter maken (…) Het is geen droom, het is ploeteren. Is dat een visie? Nou, voor mijn part.”

Daar hadden Bos en zijn medewerkers het beter bij kunnen laten, maar in plaats daarvan bleven ze zich eindeloos het hoofd breken over hun missie en vooral over de vorm waarin die vervat moest worden. Te vaak gaan de discussies over beeldvorming, te weinig over de essentie van de boodschap.

Bos lijkt zich ook te afhankelijk te maken van het oordeel van anderen. Omringen zulke politieke leiders zich niet met te veel adviseurs? Drie zou toch genoeg moeten zijn? Eén voor de broodjes, één voor de pers en één voor de nuchtere, politieke adviezen à la Timmermans.