Israël slecht voorbeeld in de paspoortdiscussie 1

Sommige deelnemers aan het debat over het dubbele paspoort zijn niet vrij van eigenbelang. Een treffend voorbeeld daarvan was de bijdrage van Priscilla Andoetoe namens het CIDI (Opiniepagina, 1 maart). Zij houdt ons het Israëlische beleid ten voorbeeld waar ”bij wet is vastgelegd dat leden van het parlement en leden van de regering bij toetreding tot het openbare ambt slechts één nationaliteit mogen hebben: de Israëlische”.

Maar er bestaat geen Israëlische nationaliteit. Nationaliteit in Israël is een kwestie van etniciteit en religie. Je kunt wel Israëlische burgerrechten verkrijgen, maar nooit de Israëlische nationaliteit. Je nationaliteitsstatus wordt bijvoorbeeld aangeduid als `joods`, `Arabisch`, `onduidelijk` (lo barur), of `in onderzoek` (bivdika). Vervolgens bestaan gradaties van burgerschap en het zal niet verbazen dat degenen met de `joodse nationaliteit` meer rechten genieten dan anderen.

Degenen die wel de joodse nationaliteit hebben, maar daar om principiële redenen bezwaar tegen hebben, proberen regelmatig hun nationaliteit officieel te laten veranderen van `joods` in `Israëlisch` (een dergelijke zaak is eind 2003 nog aangespannen door een groep artiesten en intellectuelen, onder wie Shulamit Aloni en Uri Avneri). De rechter verwierp eerder (1971) al een dergelijk verzoek en stelde onverbloemd dat ”er geen Israëlische natie is los van de joodse natie [] die niet alleen bestaat uit degenen die in Israël wonen maar ook de joden in de diaspora”. Hoe kan het CIDI dit voorstel serieus ter tafel brengen (nog los van de situatie dat 3,5 miljoen Palestijnen al bijna veertig jaar lang stateloos - en merendeels onder militaire bezetting - leven)? De staat Israël kent immers op het gebied van het nationaliteitenvraagstuk alleen al bij wet nogal wat onvolkomenheden en kan dan ook nimmer als leidraad dienen om het Nederlandse gesteggel over de dubbele nationaliteit te helpen oplossen.